De afgelopen week trokken twee berichten in het bijzonder mijn aandacht. VNL die in de persoon van Jan Roos twitterde: Stop overheidsfinanciering religieus onderwijs. jan-roosDaarnaast alle media-aandacht voor de studentenvereniging Vindicat vanwege een ‘bangalijst‘. Twee onderwerpen die voor mij alles met elkaar te maken hebben en die mij terugbrengen in mijn eigen Groningse studententijd. Dan spreek ik over de jaren 1987-1996. De tijd dat er nog lang gestudeerd kon worden en veel tijd gestoken kon worden in de studentenvereniging en het daarbij behorende bestuurswerk.

Zelf woonde ik in de Oosterpoort. Door velen de mooiste wijk van Groningen genoemd. Het eerste jaar volgde ik de Academie voor Lichamelijke Opvoeding. De school stond in Groningen-Zuid, in Corpus den Hoorn. Na een jaar fietste ik niet meer naar het zuiden maar richting het Noorderplantsoen. Ik was met de ALO gestopt en begonnen aan de vooropleiding voor theologie. Twee jaar zonder studiefinanciering, maar gelukkig wel met kinderbijslag. Vanuit de Oosterpoort fietste ik meer dan regelmatig langs het gebouw van Vindicat. Een indrukwekkend gebouw naast de Martinikerk. Soms was er wat te zien, maar ’s morgens was het er meestal stil op enkele schoonmakers na. Ik was wel benieuwd wat er binnen gebeurde. Je hoorde verhalen. Al met al imposant. Ik ben er nooit in geweest, maar andersom wel met Vindicaters te maken gehad.

Op een gegeven moment kwam er een Vindicater in het studentenhuis wonen. Prima gast. Goed contact mee. We wisselden wel eens wat uit over de studentenvereniging. Hij over Vindicat en ik over de christelijke studentenvereniging Ichthus. Op een keer is hij met twee anderen mee geweest naar een zogenaamde ‘open avond’. Deze drie Vindicaters keken hun ogen uit. Waar ze zo verbaasd over waren? Hoe de vrouwelijke en mannelijke leden met elkaar omgingen. Respectvol. Gelijkwaardig. Het was totaal anders dan zij gewend waren. Voor hen een ongekende wereld en ik hoop dat ze die avond niet vergeten zijn.

Het brengt me bij Jan Roos. Wanneer je hoort hoe mensen reageren op de ‘bangalijst’ en op de ontgroening van studenten binnen Vindicat en wanneer je ziet wat het christelijk geloof bewerkt met betrekking tot de omgang van mensen. Dan is toch het laatste wat je voorstelt om dit de nek om te draaien. Wanneer christelijk onderwijs een positieve uitwerking heeft op de wijze waarop mensen met elkaar omgaan, dan omarm je dit en neem je de Jezus-liedjes en de ‘verhaaltjes’ voor lief. Of is zijn voorstel vooral gericht op islamitisch onderwijs en moet het joodse en christelijke onderwijs hieronder leiden? Wat ook de beweegreden is van Jan Roos, laat ik hem één advies geven nu hij de politiek instapt. Pak de problemen aan en veroorzaak geen problemen door wat goed functioneert overhoop te gooien.

“Nederland heeft de laatste jaren weer vaste grond onder de voeten gekregen.” Met deze woorden begint de troonrede. Ik vind het mooie woorden omdat zij mij doen denken aan het lied ‘Een vaste grond is ons behoud’. Wat heerlijk dat Nederland vaste grond heeft gekregen. Met dankbaarheid lees ik verder. “De financieel-economische crisis ligt achter ons.” Natuurlijk ligt die achter ons. Immers, het gaat in Nederland niet langer om aardse schatten, maar om de hemelse.

2016-09-20 12:27:59 DEN HAAG - Koning Willem-Alexander leest, met aan zijn zijde koningin Maxima, de troonrede voor op Prinsjesdag aan leden van de Eerste en Tweede Kamer in de Ridderzaal. ANP ROYAL IMAGES SANDER KONING

2016-09-20 12:27:59 DEN HAAG – Koning Willem-Alexander leest, met aan zijn zijde koningin Maxima, de troonrede voor op Prinsjesdag aan leden van de Eerste en Tweede Kamer in de Ridderzaal. ANP ROYAL IMAGES SANDER KONING

Terwijl ik verder lees ontdek ik dat het wel gaat om de aardse schatten. Gezonde overheidsfinanciën en een sterke economie vormen het fundament. Er wordt zelfs over geroemd. Maar aardse schatten brengen niet alles. De troonrede spreekt van onrust en onbehagen, van zorgen maken en hechten aan het vertrouwde. Er zijn reële problemen. Tegelijk wordt sterk de nadruk gelegd op het gegeven dat wij er nu beter voor staan. Ook wordt aan elk probleem, of moet ik uitdaging zeggen, een positieve wending gegeven.

Mijn dankbaarheid verdwijnt en mijn wenkbrauwen fronsen. Ik lees over democratische waarden. Scheiding van kerk en staat, vrijheid van meningsuiting en vrijheid van godsdienst. Over gelijkheid van man en vrouw en dat er geen onderscheid gemaakt wordt op grond van ras, geloof of seksuele geaardheid. Wie in dit land wil wonen moet deze waarden respecteren en naleven.

Het zijn democratische waarden die gebaseerd zijn op de vaste grond van de economie. Is dit geen contradictie. De economie is niet stabiel en zal dit ook nooit worden. Het tekent dat ook democratische waarden fluctueren. Wat nu nog als waar gevonden kan worden, kan morgen anders zijn. De meerderheid bepaalt. Een meerderheid die kan besluiten dat geloof een privézaak is en achter de voordeur moet plaatsvinden. Het betekent het einde aan het protestants-christelijk en reformatorisch onderwijs. Zoals het ook het einde kan betekenen van vele andere verworvenheden. Het leert mij dat Nederland de vaste grond aan het verliezen is en wegzinkt in het moeras waar het zich onmogelijk uit kan trekken. Hulp zal van buiten moeten komen. Van boven.

Fascinerend. Dat is het. Die lichtflitsen en het gerommel. Magnifiek om waar te nemen. Zo kijk ik ook naar onweer. Een geweldig natuurverschijnsel en dat is het. Maar tegelijk is het meer. Het is ook angstaanjagend. Die plotselinge lichtflitsen. Die dreunende donder. Soms er direct achteraan. Vaak onschuldig, maar niet altijd. Het onweer kan inslaan. Met grote gevolgen.  Velen hebben het leven gelaten tijdens eenonweer onweersbui.

Zelf heb ik er iets van ervaren in de lente van 1991. Ik was student theologie en bewoonde een kamer in een studentenhuis aan de Sophiastraat in Groningen. Het onweerde. Ik lag in bed. Niets aan de hand. Tot de bliksem insloeg. Ik voelde iets door mij heengaan. Niet veel later bleken de stoppen eruit te liggen.  Uiteindelijk de enige schade. Maar bij mij zat de schrik er goed in. Toen heb ik ervaren wat knikkende knieën zijn. Ik behield ze tot aan het begin van het tentamen Hebreeuws de volgende morgen.

Sindsdien is onweer voor mij altijd tweeslachtig. Een geweldig natuurverschijnsel, maar ook beangstigend. Tegelijk wist ik van Psalm 29. ‘Gods majesteit in het onweer’ staat erboven. Zo wordt gezegd dat God spreekt door het onweer. In midden-orthodoxe kring is dit allang afgelegd, maar in ultraorthodoxe kring volop gepredikt. Zelf deed ik er niet veel mee. Het was geen werkelijkheid, maar het had ook niet afgedaan. Op deze niet bestaande tussenweg bevond ik mij. Tijdens een nacht waarin het heftig onweerde, ben ik er maar eens doorgegaan. Hetgeen overdacht.

Als eerste en bovenal is onweer een natuurverschijnsel. Een natuurkundige kan prima uitleggen hoe een onweersbui ontstaat en wat er tijdens onweer gebeurt. Niets bijzonders. Maar omdat ik geloof in een God die hemel en aarde geschapen heeft, is God bij deze uitleg niet buitengesloten. Hij is immers de Schepper. Al weet ik niet of onweer ook al in het paradijs voorkwam of voor zou kunnen komen. Ik vermoed van niet, maar later meer hierover.

Bij het nadenken over onweer met een theologische bril op gaan mijn gedachten uit naar de Schriftgedeelten waar er sprake is van donder. Zoals wanneer de zevende plaag de Egyptenaren treft (Exodus 9 vers 13-35). Als Mozes zijn staf naar de hemel uitstrekt geeft de Heere donder en hagel. Dat de Heere donder geeft lezen we ook in 1 Samuël 7. De HEERE deed op die dag een machtige donder over de Filistijnen rollen. Hij bracht hen in verwarring, zodat zij door Israël verslagen werden.

Beide gedeelten laten zien dat god de donder geeft en dat dit is om Zijn macht en toorn te tonen.  In Psalm 77 zien we duidelijk dat de donder en de bliksemflitsen tekenen zijn van Gods macht. In 1 Samuël 12 is de donder nadrukkelijk verbonden met Gods toorn over het bedreven kwaad.

Nu is het mogelijk om vanuit verschillende kanten te redeneren. Wanneer God Zijn macht en toorn laat zien, dan dondert het. Maar kunnen we ook zeggen dat elke keer dat het dondert, dat de Heere dan Zijn macht en toorn toont? Ik ben geneigd om te zeggen van niet. Immers, onweer is toch ook een natuurverschijnsel. Maar wanneer de donder een neerslag is van Gods toorn over het kwaad, dan was er voor de zondeval geen onweer en is ieder onweer op z’n minst een reminder. Het betekent dat elk onweer mag bewerken dat een zondig mens zich verootmoedigt voor de machtige en heilige God.

 

Ik richt me weer op Psalm 29. De Psalm is door David geschreven om machtige leiders nederigheid te leren en te laten beseffen dat er een God boen het staat en dat hun regeren altijd bij de gratie Gods is. Vervolgens wordt met zeven beschrijvingen de stem van de Heere verwoord. Onder andere lezen we: “De stem van de Heere klinkt over de wateren, de God der ere dondert”. Misschien nog wel indrukwekkender is vers 7. “De stem van de Heere hakt vurige vlammen uit de wolken”. In poëtische taal wordt uitgebeeld dat het door de hand van de Heere is, dat de bliksemflitsen uit de wolken verschijnen.

Het is een natuurverschijnsel, maar niet zonder de betrokkenheid van de Heere God. De Schepper spreekt. Hij toont Zijn macht. Het gedreun en de lichtflitsen maken bang. Het tekent de machteloosheid van de mens ten opzichte van de grote en geduchte God. Ook machthebbers hebben niets tegen Hem in te brengen.

Maar naast Gods macht is het een verwijzing naar Gods toorn over het kwaad en hiermee is het een verwijzing naar Gods oordeel. Een oordeel dat geen mens kan ontlopen. Hoe groot de macht op aarde ook is, er is altijd Iemand die groter en machtiger is en die zal oordelen over levenden en doden. Geen enkel kwaad op aarde gedaan zal ongestraft blijven. Een hele troost voor de slachtoffers van deze wereld. Een mens kan aan aardse rechters ontsnappen, maar nooit en te nimmer aan de hemelse rechter.

 

In Lukas lezen we over de dag van het laatste oordeel. De Heere Jezus zegt daar: “Want zoals de bliksem flitst van de ene plaats onder de hemel en naar de andere plaats onder de hemel licht, zo zal ook de Zoon des mensen zijn op Zijn dag”. Dit vers laat zien dat de Vader het oordeel overgegeven heeft aan Zijn Zoon. Aan Hem die aan het kruis van Golgotha de zonde van de wereld gedragen heeft. Zijn kruisdood biedt mensen de mogelijkheid om te ontsnappen aan het oordeel. Want wie zich bekeert, zijn zonden belijdt en in de Heere Jezus gelooft, zal vergeving van zonden geschonken worden en hiermee eeuwig leven in Gods Koninkrijk. Zo is ieder onweer een oproep om te vluchten tot Christus voordat Gods toorn over zonde losbarst en de levenden en doden geoordeeld zullen worden. Fascinerend hoe een ‘natuurverschijnsel’ bijdraagt aan de verkondiging van het Evangelie van Jezus Christus.

In Mekka staat de Ka’aba. Tijdens de Hadj lopen moslims hier zevenmaal omheen. Tegen de klok in en telkens wijzend op een zwarte steen die in de zogenaamde Jemenitische hoek ligt. De zuidoostelijke hoek van de Ka’aba. Zoals de naam al vermoed is de ongeveer 30 cm grote steen zwart. Volgens overlevering was de steen, die uit de hemel is gekomen, oorspronkelijk wit. Zelfs witter dan wit. Door de zonde van de mens is de steen zwart geworden.

Dit alles doet mij op meerdere punten denken aan de Heere Jezus, die in de Koran Isa genoemd wordt.

Binnen het christelijk geloof wordt beleden dat Jezus de Zoon van God is en uit de hemel is gekomen. Hij was zonder zonde en hoewel Hij verzocht is geweest, heeft Hij niet gezondigd. Wel is Hij tot zonde gemaakt, omdat Hij de zonde van de wereld op Zich genomen heeft. Hij die aan God gelijk was en witter dan wit was is zwart gemaakt door de zonden die de mens bedreven heeft.

Van de zwarte steen in de Ka’aba wordt gezegd dat het zonden kan wegnemen en op de Dag van het oordeel zal getuigen voor hen die de steen hebben aangeraakt. Van Jezus mag beleden worden dat Hij de zonde wegneemt, omdat Hij die op Zich genomen heeft, maar ook dat Hij de zonden vergeeft van allen die het heil van Hem verwachten. Op de Dag van het Laatste Oordeel zal Jezus genade schenken aan alle mensen die in Hem geloven.
Hiervoor heeft de Heere Jezus de zonden van de wereld op Zich genomen en hiervoor is Hij gestorven aan het kruis van Golgotha. De straf voor de zonde heeft Hij gedragen. Tegelijk is Hij machtiger gebleken dan de dood. Op de derde dag is Hij opgestaan uit het graf en na veertig dagen is Hij teruggekeerd naar Zijn Vader in de hemel. Vandaar zal Hij komen om te oordelen de levenden en de doden.

En dan zal Hij aan de gelovigen een witte steen geven met op die steen een nieuwe naam geschreven, die niemand kent dan wie hem ontvangt. Het is als het ware het toegangsbewijs voor Gods Koninkrijk van vrede en gerechtigheid. Alle reden om te streven naar het ontvangen van deze witte steen. Het kan door te knielen aan de voet van het kruis van Christus, na bekering de zonde te belijden en van Hem het eeuwig heil te verwachten.

Het lichaam van Christus

In de meeste kerkelijke gemeenten start deze maand het winterwerk. Dat wil zeggen dat alle kerkelijke activiteiten weer uit de zomerslaap ontwaken en ten uitvoer gebracht worden. Nu kunnen we dit uit gewoonte doen. Zo gaat het nu eenmaal in de kerk. We kunnen ook een moment nemen om na te denken waarom we de gemeenteleden weer mobiliseren om aan allerlei activiteiten mee te doen. Graag wil ik u hiervoor een handreiking doen. De basis van deze handreiking is de zienswijze dat de gemeente het lichaam van Christus is. Het is een manier om naar de gemeente te kijken die gebaseerd is op 1 Korinthe 12. In deze brief schrijft de apostel Paulus: “Samen bent u namelijk het lichaam van Christus, en ieder afzonderlijk zijn leden“.

https://encrypted-tbn3.gstatic.com/images?q=tbn:ANd9GcTfJf7qtKBY9D--j0yvg9LvMOwrDVvDegml-1b66U5iQ-UfOcTz

In het spoor van Jozef van Arimathea

Wanneer ik aan het lichaam van Christus denk, dan denk ik aan de geselingen die Hij doorstaan heeft en vooral aan Zijn kruisiging. Voor Paulus is dit het allerbelangrijkste dat er bestaat. Met heel mijn hart wil ook ik belijden wat hij in het tweede hoofdstuk van dezelfde brief schrijft. “Want ik had mij voorgenomen niets anders onder u te weten dan Jezus Christus en die gekruisigd”.

Dit vers zorgt ervoor dat de gekruisigde Christus mij voor ogen wordt geschilderd. Met de ogen van mijn hart kijk ik naar Hem die aan het kruis hangt. Aan het kruis lijdt. Aan het kruis sterft. Een lijden dat vooral geestelijk was. Onder andere is dit merkbaar geworden in de door Jezus aan het kruis gesproken woorden: “Mijn Vader, Mijn Vader, waarom hebt U Mij verlaten?” Maar het lijden droeg Hij ook aan Zijn lichaam. Dit is het lichaam van Christus. Gods Zoon die vlees geworden is en de gestalte van een mens heeft aangenomen en geleden heeft in mijn plaats.  Zo mag ik dit geloven.

Het maakt dat ik met gelovige ogen naar de gekruisigde Christus kijk. Het maakt ook dat ik me afvraag wat ik voor Christus gedaan heb. Wat ik nu voor Hem doe. Wat ik voor Hem behoor te doen. Het zijn vragen die ik stel terwijl ik Zijn kapot geslagen rug bemerk. Terwijl ik de spijkers in Zijn handen en voeten zie. Terwijl ik de wond opmerk in Zijn zij die ontstaan is door een stoot van een speer.

Terwijl ik alles zie en mij afvraag wat ik voor Jezus kan doen, verschijnen er twee mannen die het gestorven lichaam van Jezus van het kruis halen. Jozef van Arimathea heeft zuiver fijn linnen bij zich. Nicodemus heeft mirre en aloë. Gewikkeld in doeken leggen ze het lichaam van Christus in een nieuw graf. Ik sla dit alles gade en vraag me vervolgens af of ik kan doen wat deze twee mannen gedaan hebben. Kan ik het lichaam van Christus verzorgen?

Deze vraag lijk ik ontkennend te moeten beantwoorden, maar de woorden van Paulus maken dat ik een positief antwoord kan geven. Ja, ik kan het lichaam van Christus verzorgen. Ik kan namelijk zorg geven aan de gemeente van Christus die het lichaam van Christus is. Zo kan ik uit dankbaarheid iets doen voor Hem die zoveel voor mij gedaan heeft.

 

Het lichaam van Christus verzorgenhttps://encrypted-tbn2.gstatic.com/images?q=tbn:ANd9GcSW92kkXmAhtg2L4epr_vkDU3OmxMXgBimbqZlhA5Em3r6noWPJ

Zorg geven aan het lichaam van Christus is als eerste zorg geven aan de gekwetste delen van het lichaam van Christus. Dat wil zeggen zorg geven aan de vervolgde broeders en zusters. Deze leden van het lichaam van Christus hebben het zwaar te verduren. Evenals het lichaam van Christus worden zij gemarteld, gegeseld en gedood. Deze leden van het lichaam van Christus moeten geholpen worden. Ondersteund worden. Waar nodig gedragen worden. Door om te zien naar deze broeders en zusters verzorg ik het lichaam van Christus. Waarbij alle zorg gepaard zal moeten gaan met gebed tot de Heere Jezus Christus, het Hoofd van de gemeente.

 

Het lichaam van Christus heeft ook andere leden. Minder gekwetst dan de vervolgde broeders en zusters, maar ook aan deze leden zal zorg behoren gegeven te worden. Ik denk hier aan de zieke gemeenteleden. Lichamelijk of psychisch ziek. Tijdelijk, chronisch of ongeneeslijk ziek. Door er voor hen te zijn kan ik het lichaam van Christus verzorgen.

Naast de zieken zijn er gemeenteleden die rouw dragen. Lang of kortgeleden hebben zij een geliefde verloren. Een man of vrouw. Een zoon of dochter. Een vader of moeder. Of wie ook maar afgestaan moest worden aan de dood. Hun verdriet is groot. Eens zullen hun tranen van hun ogen afgewist worden, maar ik mag er voor hen zijn en zo bij hen staan in hun nood en op deze manier het lichaam van Christus verzorgen.

Als ik denk aan de leden van het lichaam van Christus dan denk ik ook aan die gemeenteleden die allerlei andere moeite en ellende kennen. Zorgen en problemen in het huwelijk, bij de opvoeding van kinderen, op het werk of op school of in de familie. Wat zijn er veel mensen die zich zorgen maken voor de dag van morgen. Mensen die de woorden uit de Bergrede maar moeilijk of misschien wel niet eigen kunnen maken. Als ik er op de een of andere manier voor hen kan zijn, dan verzorg ik het lichaam van Christus.

Zo verzorg ik ook het lichaam van Christus wanneer ik de eenzame gemeenteleden bezoek. Wanneer ik oog heb voor de arme broeders en zusters die door welke oorzaak een uitkering hebben of in de bijstand zitten. Natuurlijk besteed ik zorg aan het lichaam van Christus wanneer ik betrokken ben bij de oudere gemeenteleden en vanzelfsprekend ook bij de jongeren en bij de kinderen van de gemeente.

 

Dit omzien en verzorgen van het lichaam van Christus kan heel praktisch zijn. Iets doen. Er zijn. Dit is de praktische kant van een geestelijke zaak. Er is ook eewp_20160908_13_31_16_pron andere kant. Ik verzorg het lichaam van Christus wanneer ik onderwijs geef vanuit de Bijbel. Door huisbezoek, kringwerk, zondagsschool, preek, clubwerk en dergelijke mag het lichaam van Christus geestelijk gevoed worden. Hierdoor kan een lid van het lichaam groeien in geloof en geloofskennis. Hierdoor kan iemand in moeilijke en zware tijden gesterkt worden en behouden blijven voor het lichaam van Christus.Het is noodzakelijk dat het geestelijke gesprek voluit gevoerd wordt.

Bovenal is het van belang dat er gebeden wordt voor de gemeente. Immers door het gebed is er de verbondenheid met de Heere Jezus Christus, het Hoofd van de gemeente. Als die verbondenheid er niet is, dan heeft de gemeente haar bestaansrecht verloren en is het lichaam van Christus aan het ontbinden.

 

Duidelijk is dat wie het gebed en al het bovenstaande nalaat en niet omziet naar de leden van de gemeente, het lichaam van Christus niet verzorgt. Die handelt niet als Jozef van Arimathea en Nicodemus. Dit zij verre van ons, want we willen toch niet dat het lichaam van Christus onverzorgd blijft? Een onverzorgd lichaam is een verwaarloosd lichaam. Wanneer het lichaam van Christus niet verzorgd wordt, dan blijven de gekwetste delen pijn doen. Een pijn die alleen maar meer wordt, omdat het met het lichaam achteruit gaat. Mag ik zeggen dat wie het lichaam van Christus niet verzorgd staat aan de kant van hen die het lichaam gegeseld en gekruisigd hebben? Trouwens, wie als lid van de gemeente van Christus de zorg voor het lichaam niet ter hand neemt, zal ook zelf lijden. Want als een lid lijdt, lijden alle leden mee. Zo behoor ik om te zien naar broeders en zusters omdat wij samen het lichaam van Christus vormen.

 

In het spoor van Jozef van Arimathea samen het lichaam van Christus verzorgen

Zelf wil ik dit graag ter hand nemen. Wanneer ik naar het kruis kijk en zie hoeveel de Heere Jezus geleden heeft, dan kan ik het lichaam van Christus niet nogmaals laten lijden. Dan wil ik het leed doen verdwijnen of tenminste verzachten. Want ik wil mijn eigen vlees niet haten, maar het voeden en koesteren, zoals ook de Heere de gemeente. Ik wil handelen zoals Jozef van Arimathea gehandeld heeft.

Ik besef goed dat ik dit niet alleen kan. Daarom maak ik u deelgenoot van mijn gedachten. Ik hoop dat u de gemeente gaat zien als het lichaam van Christus en u uit dankbaarheid het lichaam van Christus wilt voeden en koesteren. Wilt u zijn als een Jozef van Arimathea? Hierbij moeten we niet vergeten dat ook wijzelf leden zijn van Zijn lichaam, van Zijn vlees en van Zijn gebeente. Laten wij samen zorg dragen voor het lichaam van Christus dichtbij en veraf, terwijl we voortdurend verbonden zijn met Christus, het Hoofd, die gezeten is aan Gods rechterhand en eens zal wederkomen om verenigd te zijn met Zijn lichaam.