Kerk2025

Voor mij liggen 54 pagina’s kerkorde teksten. Het is deel 1 van vele wijzigingen die kerk2025 met zich meebrengt. Voorstellen die voortbouwen op de rapporten ‘Waar een woord is, is een weg’ en ‘Een stap verder’. Naast me ligt ook de brochure Kerk2018. Een kritisch geluid laat deze brochure horen ten opzichte van al de voorstellen. Verder put ik uit de informatieavond over de voorgestelde ordinantiewijzigingen. Het is aan de classes om hierover te considereren en aan de synode om in tweede lezing te beslissen. Maar wat is mijn opvatting?

In ieder geval is het te makkelijk om alleen maar antwoord te geven op de opgestelde 10 vragen. Daarbij gaan de 10 vragen voorbij aan een diepere doordenking van de voorgestelde wijzigingen. Want wat betekent het allemaal voor het presbyteriaal-synodale principe? Wat wordt de verhouding van de plaatselijke gemeente tot de synode wanneer er geen afvaardiging meer is? Moeten we op sommige punten wel willen dat het voor de classis minder zwaar wordt?

 

Mijn gedachten gaan terug naar een eerdere consideratie. Nog niet zolang geleden. Besloten is dat ordinantiewijzigingen van gering gewicht die in eerste lezing unaniem door de synode zijn aangenomen niet voor consideratie naar de classes hoeven. Dit om de classis te verlichten. Maar waarom werd dit voorgesteld, terwijl men wist, dat er vele ordinantiewijzigingen aan zouden komen en de last toch al zou verminderen, wanneer deze ordinantiewijzigingen aangenomen zouden worden? Het roept bij mij vragen op. Het woord regentenkerk komt in mij op. Misschien ten onrechte, maar wordt de kerk bestuurd vanaf het grondvlak of toch van boven. In Kerk2018 lees ik dat managers de touwtjes in handen hebben.

 

Informatie over Kerk2025 heb ik ook verkregen op de informatieavond over Kerk 2025 die ik bezocht heb in Hardinxveld-Giessendam. Deze avond mocht ik als preses van de classis Gorinchem openen. Ik heb gelezen over Jetro die aan Mozes een reorganisatie voorstelde. Mozes moest niet alles alleen doen, maar ook anderen aanstellen. Leiders over duizend en leiders over honderd en leiders over vijftig en leiders over tien. Mozes nam deze wijzigingsvoorstellen over. Ik heb in de opening gezegd, dat wij zover nog niet zijn. Eerst laten we ons informeren. Het was ook een informatieavond. Daar was niets mis mee. Tegelijk verbaast het me dat er haast geen ander geluid gehoord wordt. Het is niet informeren over wat we kiezen, maar informeren over hoe het gaat worden. Ik vraag me af of consideratie nog wel nodig is. Heeft de synode het al niet unaniem aangenomen? Volgens Sjaak van ’t Kruis is het inderdaad mosterd na de maaltijd.

Herman van Ginkel, de schrijver van de brochure Kerk2018 is het daar niet mee eens. De classis moet nog considereren. De koers kan nog verlegd worden. Dus er is ruimte om te (her)overwegen.

 

Maar welke koers zal gevaren moeten worden met het schip van de kerk?

 

Ik lees mijn aantekeningen door die ik 16 februari 2016 gemaakt heb. Op de classis Gorinchem, die toen 450 jaar bestond, was de toenmalige scriba van de Protestantse Kerk in Nederland aanwezig. De man achter de rapporten over Kerk2025. Dr. Arjan Plaisier zei onder andere dat hij graag zag dat goed functionerende classes doorgaan als ontmoetingsplaatsen. Deze opmerking sluit geheel aan bij de voorgestelde ordinantiewijzigingen. Deze opmerking brengt me bij pagina 39 van de brochure Kerk2018 waar Van Ginkel schrijft: “Wat in Kerk2025 wordt geschetst zal vast wel een keer ergens werkelijkheid worden, dat een classis door gebrek aan mensen niet meer kan functioneren. Maar daarvoor ga je niet alle classes opheffen, inclusief de goed functionerende.”

Ik verwacht dat er van die ontmoetingsplaatsen, zoals Plaisier die voor zich ziet, niet veel terecht komt. Ik zie dat er een leemte ontstaat tussen de plaatselijke gemeente en de landelijke synode. De predikanten komen mogelijk samen in een werkgemeenschap en de classispredikant bezoekt de gemeenten, maar daar blijft het waarschijnlijk bij. Vast zal iemand hierbij de reactie plaatsen: “Maar daar ben je toch zelf bij”. Dat is waar, maar als anderen er niet zijn, dan houdt het op.

Dan houdt het op. Van Ginkel schrijft dat het “vast wel een keer ergens werkelijkheid zal worden”. De praktijk is, dat het al werkelijkheid is geworden. Classes die niet functioneren. Trouwens ook werkgemeenschappen die niet functioneren. Is het dan wijs om terug te gaan tot 11 classes of om niet-functionerende classes samen te voegen. Het laatste lijkt een goede weg om te gaan. Tegelijk komt dit niet uit bij back to basics. Want bij samenvoegende classes ontstaat hetzelfde probleem als bij regioclasses. De afstand van en naar de gemeente is groot en betrokkenheid is er niet. Een optie is om een slecht of niet-functionerende classis samen te voegen met een goed functionerende classis. Maar dan moet die wel aan de betreffende classis grenzen. Een andere bijkomstigheid is dat er meer dan waarschijnlijk telkens samengevoegd moet worden en er een vreemde lappendeken ontstaan van classes. De vraag is of dit wijs is?

In de Bijbel lezen we dat Jezus zegt dat wie een toren bouwt eerst, eerst de kosten berekent. Zo zal ook met betrekking tot kerkelijke reorganisatie bekeken moeten worden wat verstandig is. Een steeds weer opnieuw samenvoegen van classes lijkt me van niet. Zo door gaan is ook geen optie. Aarzelend neig ik naar een opdeling in 11 classis. Tegelijk worstel ik met de goed functionerende classes en de afstand die zal ontstaan. Niet alleen naar de landelijke kerk, maar ook naar gemeenten in de regio.

 

Classispredikant

Wanneer het aantal classes teruggebracht wordt naar 11, is het dan verstandig om over elk van deze classes een classispredikant aan te stellen? Momenteel vindt het classicale werk toch plaats zonder fulltime kracht, waarom dan nu een betaalde kracht? Het is waar dat het nu allemaal gebeurt door vrijwilligers. Maar als we dit opmerken, dan worden de Regionale adviseurs classicale vergaderingen niet meegerekend. Deze mensen vallen weg. Dus de kostenpost is niet dat er 11 fulltime betaalde krachten bijkomen. De classispredikant kan daarom voor mij geen belemmering zijn voor kerk2025. Tenminste financieel gezien. Want wat houdt deze functie verder in?

 

De opdracht van de classispredikant is om een keer in de vier jaar elke gemeente, elke predikant en elke kerkelijk werker te visiteren. Aangezien ik nergens gelezen heb over een tekort aan visitatoren, vraag ik me af waarom dit niet doorgezet wordt. Is het omdat sommige visitaties wel, maar anderen niet als zinvol ervaren worden? Is er de hoop dat de visitatie door de classispredikant in de meeste gevallen wel als zinvol zal worden ervaren? Ik mag het hopen. Toch blijf ik ook voordelen zien aan de visitatie door (emeriti-)predikanten met een andere ambtsdrager. Daarnaast zijn ongeveer 50 visitaties per jaar voor de classispredikant best een hele kluif. Ik hoop dat er met de classispredikant iemand meegaat op visitatie.

 

De classispredikant krijgt de bevoegdheid om voorlopige maatregelen te nemen. Ik denk hierbij aan ordinantie 3.19 – tijdelijke vrijstelling van werkzaamheden. Het is goed dat dit bekrachtigd dient te worden door de classicale vergadering en de classispredikant hier verantwoording vanaf moet leggen. Toch zou het ook goed zijn, wanneer de classispredikant even kan sparren. Precies zoals dit nu plaatsvindt in het moderamen van de classis. Maar met wie? De visitator die verbonden zal worden aan de classis is een mogelijkheid.

 

De classispredikant vertegenwoordigt verder de classicale vergadering, al dan niet samen met andere leden van het moderamen, in contacten met andere kerkgenootschappen, maatschappelijke organisaties, overheden en media in de regio. Hoe dit gestalte zal moeten krijgen is mij onbekend. Momenteel kunnen we dit niet. Het geeft wel de indruk dat er werk op de classispredikant afkomt, dat nu op de schouders ligt van de preses of de scriba van de landelijke kerk.

 

Classis

De classis waar de classispredikant de voorzitter van is, zal niet bestaan uit afgevaardigden maar uit verkozen ambtsdragers. Gemeenten die niet kunnen of net willen afvaardigen kunnen hier verstek laten gaan. Daarnaast is de kans groot dat niet naar de persoon gekeken wordt, maar dat de gemeente waaruit de persoon komt bepalend is. Verkiezing op grond van modaliteit.

Misschien is het een idee dat verkozenen zo nu en dan eens een bezoek brengen aan een gemeente die niet in de classis vertegenwoordigd is om contact te houden.

 

Synode

Contact met de synode is er feitelijk nu ook al niet. Tenminste wat de gemeenten betreft. Wie afgevaardigd was naar de classicale vergadering en deze ook daadwerkelijk bezocht, die trof de afgevaardigde naar de synode. Voor anderen, zowel kerkenraadsleden als gewone gemeenteleden was de synode ver weg. Dat verandert nu dus niet.

 

Wanneer ik alles over zie, dan kan ik geen bezwaar hebben tegen de verdere uitwerking van het plan. Mijn aarzeling zit aan het begin. Dan denk ik aan de goed functionerende classes, maar vooral aan de leemte die er zal ontstaan en de kans dat er van de ontmoetingsplekken niets terecht komt. Wordt de plaatselijke gemeenten niet vooral een eiland? Zullen verschillende modaliteiten elkaar nog wel ontmoeten? Zal er daardoor een gebrek aan binding ontstaan met de landelijke kerk? Uit een rapport van de HGJB blijkt dat jongeren nu al geen binding hebben met het instituut kerk. Dit zal alleen maar meer worden. De Protestantse kerk zal bestaan uit allerlei losse gemeenten, waarbij beleid van bovenaf niet zal doordringen tot de basic. Slechts de predikantenopleiding en het werk van regionale en generale colleges zal als zinvol ervaren worden. Wanneer het dan echt back to basics gaat, dan ben ik het met Van Ginkel eens, dat de dienstenorganisatie veel verder ingekrompen kan worden. Een mogelijkheid is dat verschillende onderdelen zelfstandig verdergaan en gaan functioneren zoals de HGJB, de IZB en de GZB.

 

Kerk2025. Het zal een feit worden. De synode heeft het in eerste lezing unaniem aanvaard. De aarzelingen en het protest beschreven in Kerk2018 kan ik meevoelen, maar tegelijk zie ik geen andere oplossing. Stilletjes aan en beetje bij beetje inkrimpen is niet de weg. Toch hoop ik dat er verder nagedacht wordt over de presbyteriale-synodale structuur die lijkt te verdwijnen, over de visitatie en de plaats van de classispredikant hierin. Als preses van de classis Gorinchem merk ik dat er steeds opnieuw van alles op je afkomt, dat lang niet eenvoudig is en niet zakelijk afgehandeld kan worden. Het raakt het hart wanneer het in een gemeente of met een predikkant niet goed gaat. Maar misschien is dit wel de basic. Dat het wezen van de kerk je aan het hart gaat. Immers, de gemeente is gekocht en betaald met het bloed van Jezus Christus.

 

Lees ook Wel het hele pakket kerk2025 en  Manifest tegen ‘Kerk2025’ staat vol misinformatie

Op 15 juni 1520 werd er vanuit de Rooms katholieke kerk een banbul vastgesteld. De officiële publicatie was 24 juli. Het is de dag waarop de bul aan de Sint-Pieter aangeslagen werd. Pas begin oktober kreeg de persoon tegen wie de bul gericht was, deze te lezen. Het betrof de monnik Maarten Luther. Woonachtig te Wittenberg. Met zijn 95 stellingen die hij op 31 oktober 1517 geslagen had op de deur van de slotkerk in Wittenberg bracht hij een beweging opgang die ertoe leidde, dat hij al zijn boeken moest verwerpen. Iets dat hij niet deed. Het maakte dat de Rooms Katholieke Kerk de ban over hem uitsprak.

Zo nu en dan stelt iemand de vraag of Rome deze ban niet kan opheffen. Onder andere in 1971 door vertegenwoordigers van Rooms-katholieken. Dr. Hans Küng was 5 jaar eerder al van mening dat de ban kon worden opgeheven. Frappant is dat er toen over gesproken werd, terwijl 12 jaar later dit gesprek niet meer gevoerd hoefde te worden. Volgens kardinaal Joseph Ratzinger is de ban met de dood van Luther tot een einde gekomen. Onlangs heeft Hendro Munsterman deze woorden van Paus Bedenictus  XVI bevestigd. Tijdens de jaarlijkse Oecumenelezing op vrijdag 13 januari in Utrecht zegt hij volgens het Reformatorisch Dagblad dat Luthers excommunicate inmiddels is opgeheven. „Dat gebeurt namelijk automatisch als iemand overlijdt. Als Hans Küng in interviews oproept om in het Lutherjaar de excommunicatie van Luther op te heffen, dan slaat hij de plank volledig mis. Dat kan niet eens. Nee, Luther is een allereerst medegedoopte. In diezelfde doop zijn wij reeds verenigd in Christus, ook al is de kerkelijke gemeenschap nog niet volledig.”

Oftewel geen gezeur meer over het opheffen van de banbul.

Maar toch wil ik hier nog een woord aan wijden. De bul die Luther ontving heeft officieel: Bulla contra errores Martini Lutheri et sequacium. In het laatste woord zit het. De bul is gericht tegen de fouten van Maarten Luther en zijn volgelingen. Hieronder verstaan we hen die in 1520 de leer van Luther aanhingen. Maar moeten we hieronder ook niet hen verstaan die later de lijn van Luther gevolgd zijn? Zijn alle Lutheranen en ook al de calvinisten en Zwinglianen hier niet bij inbegrepen. Geldt de bul niet voor alle protestanten?

Wanneer er ooit sprake wil zijn van oecumene dan zal hier toch overeenstemming over moeten zijn. Of van protestantse zijde zal de protestantse theologie herroepen moeten worden en betiteld moeten worden als een dwaling. Of van Rooms-katholieke zijde zal de ban opgeheven moeten worden en zal hiermee uitgesproken worden dat de leer van Luther geen dwaling was. Het is toch van het één of van het ander. Of misschien is er een tussenweg. Al lijkt het mij niet eenvoudig die te vinden. Hopelijk vind ik wel iemand die zijn licht kan werpen of de ban nog steeds geldt voor de volgelingen van Maarten Luther.

 

Hendro Munsterman schreef het volgende over Trente en wat gelezen kan worden als een antwoord op de gestelde vraag.

Wat moeten we toch met het concilie van Trente? (uitgebreide versie)

Het wekt toch wel de aandacht, wanneer in beeld verschijnt, dat je op Twitter gevolgd wordt door een messiah. Wie of wat zit er achter het account? De naam luidt volledig Messiah Haynes. Een account uit de Verenigde Staten. De echte accountnaam is @IlikeBIGbuttand. Ik loop niet warm om dit account te volgen. Ook is er geen vermelding van een website. Wel een interessante bio. Daar lees ik: The only true wisdom is in knowing you know nothing!

Ik kon niet voorkomen om deze woorden even te overdenken. De te trekken conclusie is, dat ik volgens dit adagium nooit kan komen tot ware kennis. Want als ik weet dat ik niets weet, dan weet ik toch iets. Namelijk dat ik niets weet. Of denk ik dat ik weet dat ik niets weet, omdat ik niets weet en dus ook niet weet dat ik niets weet. Het duizelt me.

Persoonlijk kan ik meer met het idee dat hoe meer je weet, hoe meer je er achter komt, dat je niets weet. Immers, aan kennis komt geen einde. De kennis die ik heb is zo minuscuul klein met wat te weten valt, dat je eigenlijk wel kunt zeggen dat ik niets weet. Maar als deze conclusie waar is, dan ben ik dus tot ware wijsheid gekomen. Of niet?

Ik vraag me af of ik ware wijsheid in mijzelf kan vinden. Wat is de mens? Een omhooggevallen schepsel die denkt als God te zijn. Nee, echte wijsheid is alleen bij de Schepper van hemel en aarde te vinden. Zou ik ook maar iets van die wijsheid willen benaderen, dan zal ik moeten starten met het hebben van ontzag voor de Schepper. Want wie geen ontzag heeft voor de Schepper die de Wijsheid is, die zal nooit tot wijsheid komen.

Al met al een hele wijsheid. Maar dat heb ik niet van mezelf. Het is van de Schepper en ik las het in Zijn boek. De Bijbel.

 

Vanuit het bekende adagium ‘Live and let live’ kwam ik terecht bij de Britse Rockgroep 10CC. Een lp van hen heet ‘Live and let live’. Het is in 1977 uitgekomen. Benieuwd volgde ik de link naar een Wikipediapagina. Mijn oog viel op de titels van de songs die op kant 1 van de lp staan. Vooral het eerste lied trok mijn aandacht. The second setting for the last supper. Vrij vertaald zegt de titel dat het lied gaat over de tafelschikking wanneer voor de tweede keer het Laatste Avondmaal gevierd wordt.

Het Laatste Avondmaal verwijst naar een gebeurtenis uit het leven van Jezus Christus. In de Evangeliën Mattheüs, Markus, Lukas en Johannes kun je hierover lezen. Het is de laatste maaltijd die Jezus met Zijn discipelen heeft. Vlak er na zal Hij gearresteerd worden en zal Hij overgeleverd worden in de handen van de Romeinen om gekruisigd te worden. Iets dat gebeurd is rond het jaar 33. Jezus stierf aan het kruis en Zijn gestorven lichaam werd in een graf gelegd. Een graf dat bewaakt werd door Romeinse soldaten omdat er een vermoeden was dat de volgelingen van Jezus Zijn lichaam zouden stelen. Alleen deze volgelingen hielden zich angstig verborgen in een huis. Toch blijkt op de derde dag dat Zijn lichaam verdwenen is. De steen voor het graf is weggerold en het graf is leeg.

Binnen het christelijke geloof wordt geleerd dat Jezus na Zijn sterven aan het kruis op de derde dag is opgestaan van de dood. Zijn opstanding is de overwinning op de dood. Zijn sterven aan het kruis is Zijn overwinning op de zonde en de duivel. Wie in Jezus gelooft mag weten dat hij verlost is van de zonde, omdat Jezus de straf er voor gedragen heeft. Zo is een gelovige verlost van de zonde en vrijgekocht uit de macht van de duivel.

10CC geeft in het lied aan te verlangen naar een tweede laatste avondmaal. Ze verlangen vooral naar de vervulling van de beloften. Ze zien er zo weinig van en het is al bijna 2000 jaar verder. Kan Jezus niet terugkomen of is er een andere goeroe die wel de beloften kan vervullen. In ieder geval staat de tafel gereed. Ook weten ze al wie er aan moeten zitten. De arme zwarte bevolking, de zwerver en zij die door drugs omkomen.

Het lied is mij in 1977 ontgaan, maar als jong jongetje zal ik er ook niet veel van begrepen hebben. Nu herken ik het verlangen van veel mensen naar een vreedzame samenleving waar niemand op welke manier dan ook achtergesteld wordt of kapot gemaakt wordt. Daarbij moet gezegd worden dat er in de afgelopen 40 jaar nog niet veel veranderd is. Zeker in de Verenigde Staten is een groot deel van de zwarte bevolking arm. Zwervers kennen we ook nog steeds. Al denken we momenteel vooral aan de vele vluchtelingen en asielzoekers. Ook kost drugs nog regelmatig het leven van een jong mens.

Wanneer komt dat land van melk en honing? 10CC gebruikt hier een Bijbelse zegswijze voor een land dat voorspoed geeft. Het is de belofte die de Heere God aan Abraham, de aartsvader van het volk Israël gedaan heeft. Zijn nageslacht zou in het beloofde land wonen. Een land overvloeiende van melk en honing. Deze vraag doe mij denken aan 2 Petrus 3 vers 8 tot 10.

8 Maar laat vooral dit u niet ontgaan, geliefden, dat één dag bij de Heere is als duizend jaar en duizend jaar als één dag.
9 De Heere vertraagt de belofte niet (zoals sommigen dat als traagheid beschouwen), maar Hij heeft geduld met ons en wil niet dat enigen verloren gaan, maar dat allen tot bekering komen.
10 Maar de dag des Heeren zal komen als een dief in de nacht. Dan zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen brandend vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen verbranden.

Petrus, die bij het Laatste Avondmaal aanwezig was, die weet dat er ook in zijn tijd al mensen waren die zich afvragen waar de vervulling van de belofte bleef. Hij merkt op dat de tijd voor God anders werkt. Eén dag bij de Heere is als duizend jaar en duizend jaar als één dag. Ook moet er niet gezegd worden dat God de vervulling van de belofte vertraagt. Hij vertraagt niet, maar heeft juist geduld. Hij heeft geduld omdat hij wil dat ook mensen die nog niet geloven in Jezus Christus dit gaan doen en daardoor behouden zullen worden door Jezus’ sterven aan het kruis en Zijn opstanding uit de dood. Toch zal eens de dag aanbreken dat Jezus terugkomt. Wanneer? Dat is aan de Heere. Maar dat die dag komt is zeker. Al het kwaad dat op aarde gevonden zal worden, zal verbrand worden. De aarde zal gezuiverd worden en een ieder die van Jezus is zal eeuwig mogen leven op de nieuwe aarde.

In de vorige gemeente die ik mocht dienen waren de predikanten bij toerbeurt voorzitter van de kerkenraad. Tijdens visitatie werd daar steeds op gewezen en geadviseerd om de predikant niet langer de voorzitter te laten zijn. In de jaren dat ik zelf visiteerde kreeg ik van het breed moderamen van het regionale college van de visitatie telkens dit advies mee om in de gevisiteerde gemeenten neer te leggen. Het is een advies dat nog steeds gegeven wordt. Laat de predikant geen voorzitter zijn van de kerkenraad.

Wat is de reden van dit advies? Die is vrij eenvoudig. Natuurlijk kost het voorbereiden van een kerkenraadsvergadering tijd en die tijd kan een predikant beter gebruiken. Maar er is nog een belangrijker reden. Wanneer een predikant voorzitter is van de kerkenraad kan hij een te groot stempel drukken op de vergadering en daarmee op het beleid van de gemeente. Het is beter wanneer een gemeentelid voorzit dan een predikant die toch weer vertrekt.

Nu is dit alles logisch. Helemaal wanneer een predikant dominant is. In zeer veel gemeenten werkt dit uitermate goed. Toch zijn er ook nadelen aan verbonden en die kom ik meer en meer tegen.

  • Als eerste moet beseft worden dat de uit de gemeente voortgekomen voorzitter, niet zomaar iemand is. Het is in bijna alle gevallen iemand die zich laat gelden en daarmee dominante trekken heeft. Is bij de predikant de mogelijkheid aanwezig dat deze dominant is, bij een voorzitter uit de gemeente is dit haast per definitie het geval.
  • Als tweede is er meestal veel overleg tussen de voorzitter en de scriba. Voorheen was dit tussen de predikant en een gemeentelid. Wanneer de predikant geen voorzitter is, vindt dit overleg plaats tussen twee gemeenteleden. Niets mis mee. Alleen het betekent wel dat hiermee de predikant op afstand komt te staan.

Binnen het moderamen kan een niet-dominante predikant dus eenvoudig op afstand komen en wanneer de dominante voorzitter geen gehoor heeft aan de inbreng van de predikant, dan wordt de afstand alleen maar groter en zal de predikant in de kerkenraadsvergaderingen ook eerder achteroverleunen, dan een positieve bijdrage leveren. Wanneer hierop aansluitend opgemerkt wordt dat de predikant weinig inbrengt tijdens vergaderingen, dan kan dit leiden tot verdere distantie. Iets dat het functioneren van de predikant niet zal bevorderen. Zeker niet wanneer dit ter sprake komt bij jaargesprekken of tijdens een visitatie.

De conclusie dat een predikant niet goed functioneert leidt vaak tot het inzetten van werkbegeleiding. Het leidt ook tot een grotere afstand en tot wantrouwen. Het leidt niet tot een oplossing, want het probleem wordt met werkbegeleiding niet opgelost. De oplossing is te vinden in het betrekken van de predikant in het overleg tussen voorzitter en scriba. Wenselijk is hierbij dat de voorzitter niet dominant is en in ieder geval sociaal betrokken is. een andere oplossing is om een predikant die niet dominant is, gewoon weer voorzitter te laten zijn van de kerkenraad. Het is mijn idee dat dit het slecht functioneren van veel predikanten kan voorkomen.