Wanneer ik fietsend door de gemeente Barneveld op mijn navigatie zie, dat ik de Kruisweg nader, dan gaat er als vanzelf bij mij een lichtje branden. Want het woord kruisweg roept allerlei associaties op. Zeker wanneer je deze weg passeert halverwege de Stille week, zoals in mijn geval. Dan gaan mijn gedachten uit naar die bewuste vrijdag vlak voor het Joodse Pesach. Dan zie ik hoe Jezus daar loopt in Jeruzalem met een kruis op Zijn rug en een doornenkroon. Dan zie ik de heuvel Golgotha opdoemen.

Terwijl normaal elke heuvel bij mij een verlangen oproept om deze te beklimmen, is er bij deze heuvel siddering. Nee, de heuvel Golgotha hoef ik niet op. Liever niet. Golgotha is de schedelplaats. De plaats waar het oordeel voltrokken wordt. Liever hoor ik niet het oordeel over mijn leven wanneer het boek des levens opengaat. Liever verschuil ik me, zoals een wielrenner in het peloton. Liever heb ik dat wat in het verborgene gedaan is niet openbaar wordt en aan het licht komt zoals een wielrenner die doping gebruikt.

De heuvel Golgotha beklimt de Heere Jezus terwijl Hij niet alleen het kruis draagt. Hij draagt ook de straf voor de zonde die ik gedaan heb. Hij beklimt als een knecht voor mij de heuvel, zodat ik onderaan kan blijven staan. Op een afstand toekijken hoe Hij voor mij aan het kruis genageld wordt. Hoe Hij sterft voor mij.

Staande bij de Kruisweg in Kootwijkerbroek valt mij iets op. Onder het straatnaambord hangt nog een bord. Het bord van doodlopende weg. Een kruisweg is een doodlopende weg omdat iedere gekruisigde aan het kruis sterft. Het kruis loopt uit op de dood. Zo ook bij de Heere Jezus. Hij geeft de geest en niet veel later wordt Hij ten grave gedragen. De kruisweg is een doodlopende weg. Tenminste voor hen die rechtvaardig het oordeel ontvangen. Dat is bij de Heere Jezus anders. Hij heeft niets onbehoorlijks gedaan. Hij is zonder zonde. Hij is gehoorzaam geweest tot de dood, ja, tot de kruisdood. Daarom heeft God Hem uitermate verhoogd. De weg van Jezus loopt niet dood, maar loopt uit op het leven. Zelfs op eeuwig leven.

Dan is er de vraag of ik alsnog deze kruisweg wil gaan. Wil ik opklimmen naar het kruis van Golgotha? Dit in de wetenschap dat deze kruisweg niet doodloopt. Bij deze beklimming gaat mijn fiets niet mee. Die kan alleen maar hinderen en afleiden. Afgeleid wil ik niet worden. Ik wil het kruis van Christus in het oog houden. Om daar mijn knie te buigen en te belijden dat Jezus Christus de Heere is, tot heerlijkheid van God de Vader.

Tijdens een fietsrit was ik onderweg naar Bricquebec. Een plaatsnaam die mij steevast doet denken aan Canada. Jou nu misschien ook wel. Ik reed op de D50 en was vast van plan om deze weg te volgen naar Bricquebec en daarna te bepalen hoe de weg verder zou gaan door dit heuvelachtige Franse landschap. Maar plannen zijn er om gewijzigd te worden en niets staat vast. Zo is ook mijn route geen wet van Meden en Perzen. Als er reden is om af te wijken van de route, dan wijk ik af.

En reden was er. Bezig met een beklimming viel mijn oog op een straatnaambordje. Een zijstraat aan de linkerkant van de D50 op 3,5 km van Bricquebec heet Rue du Paradis. Deze straat kon ik niet links laten liggen. Er was geen andere mogelijkheid dan linksaf te slaan en de beklimming te vervolgen via de weg naar het paradijs.

Rue du Paradis te Bricquebec


Nieuwsgierig. Dit was ik vooral. Waarom heet deze weg Rue du Paradis en waar leidt deze weg naar toe? Uiteindelijk boven bij Le Paradis bleven de vragen recht overeind. Op het hoogtepunt stonden een paar eenvoudige huizen. Het uitzicht was wel mooi. Maar paradijselijk? Dit is echt een veel te groot woord. Vragen te over dus.

Of had ik niet veel eerder al een antwoord gekregen. Halverwege de beklimming, bij een kruising, was er ook een straatnaambordje. Maar daar was wat mee. Het bordje was slecht te zien omdat het plat lag. Omgevallen.

Was dit het antwoord waarnaar ik zocht? Ik zocht het paradijs maar vond het niet door de val. Het omgevallen bord verwees mij naar Genesis 3. De mens in zonde gevallen en verdreven uit het paradijs. Op aarde is dit hemelse paradijs niet te vinden. Hoe mooi ook de landschappen kunnen zijn waardoor heen gefietst wordt.

Dit vertelt ook de geschiedenis van Normandië . Hierbij wil ik niet helemaal teruggaan tot Willem de veroveraar. De recente geschiedenis spreekt boekdelen. De begraafplaatsen van Amerikaanse soldaten in Colleville-sur-Mer en van Duitse soldaten in Orglandes of La Cambe tonen in welke staat de mens gevallen is. Oorlog is het meest zichtbare gevolg van de zondeval. De waanzin van menselijk handelen. Terecht is het straatnaambord omgevallen. De weg naar het paradijs is afgesloten.

Ik zie in gedachten een ander straatnaambord opdoemen. Rue de Jésus Christ. Hij is de Weg tot de hemelse Vader. De weg naar het paradijs. Een weg die gedoemd was te mislukken toen Hij hing aan het kruis van Golgotha. Was Hij gevallen en is het route barrée? Nee, Jezus is niet in zonde gevallen. Hij gaf Zijn leven opdat voor iedereen die in Hem gelooft de weg tot het paradijs weer ouvert is. Jezus is hiermee de Rue du Paradis.

Daar staat hij. 
In een koude nacht. 
Bij het vuur. 
Te midden van hen die er op uitgetrokken waren 
om in de hof van Gethsémané Jezus te arresteren. 
Petrus staat er alleen. 
Omringd door mensen die Jezus niet hebben beleden 
als de Christus, de Zoon van de levende God. 
Petrus deed dit wel.
Petrus die niet wil dat Jezus een haar gekrenkt wordt. 
God zou dat wel verhoeden? 
Maar in de hof van Gethsémané was geen legioen engelen op komen dagen. 
Het was andersom. 
Jezus gaf Zichzelf over in de handen van die horde mensen. 
Petrus sloeg het met een zwaard in de hand met verbijstering gade 
Hij kon niet anders dan Jezus op gepaste afstand volgen.
Maar nu is hij in de hol van de leeuw. In het huis van de hogepriester. 
Hij is hier vreemd, maar moet doen alsof het de normaalste zaak van de wereld is dat hij hier is. 
Hij mag niet opvallen. 
Hij wil dicht bij Jezus zijn. 
Hij wil zien wat er allemaal gebeurt. 
Hij vreest echter ook voor zijn leven.
Zo staat Petrus daar. 
Alleen in een menigte. 
Dit is mogelijk niet vreemd. 
Allemaal kunnen we de ervaring kennen ons alleen te voelen te midden van een menigte. 
Kennen we de ervaring alleen te staan in het geloof in Jezus? 
Mogelijk op school of op de werkplek. 
Misschien ook wel in de familie- of vriendenkring. 
Durf jij er dan voor uit te komen dat je gelooft in Jezus? 
Of zwijgen we of ontkennen we het zelfs uit angst voor ……..
Petrus kent die angst. 
Hij vreest voor zijn leven. 
Hij houdt zich gedeisd en stelt zich verdekt op. 
Maar hij kan niet voorkomen dat er iemand is, die het vermoeden uitspreekt dat hij bij Jezus hoort. Het is een dienstmeisje. Te midden van de menigte pikte zij Petrus er uit. Ze weet zeker dat Petrus bij Jezus hoort en kijkt hem strak aan. ‘Die man hoorde er ook bij!
Petrus ontkent. ‘Ik ken Hem niet eens!’ 
Maar even later bevestigd een ander de woorden van het dienstmeisje. ‘Jij bent ook een van hen!’ 
Petrus ontkent weer in alle toonaarden. ‘Welnee man, helemaal niet.’ 
Petrus wil niet alleen komen te staan. 
De angst bekruipt hem.
Even lijkt de rust weergekeerd in het binnenste van Petrus. Een uur verstrijkt. Maar dan slaat het noodlot toe. 
‘Ja zeker, die man was ook in zijn gezelschap, hij komt immers ook uit Galilea.’ 
Petrus weet niet hoe hard hij zijn best moet doen om het te ontkennen.
‘Ik weet niet waar je het over hebt.’ 
De angst bekruipt hem.
Het is een reële angst. Voor talloze mensen een dagelijkse ervaring. Zeker in landen als India, Bangladesh en Pakistan of Indonesië. Angst om herkent te worden als volgeling van Jezus. Angst voor de represailles. Angst om alleen te komen te staan. Alleen tegenover hen die Jezus vervolgen.
Dit maakt deze geschiedenis zo moeilijk. 
Wanneer ik alleen kom te staan en doodsangsten mij bekruipen, 
heb ik op dat moment de moed om voor het geloof in Jezus uit te komen? 
Zijn Naam te belijden onder de mensen? De gedachte alleen al kan huiveringwekkend zijn. 
Hoor ik daar al een haan kraaien?
Hoe herkenbaar. 
In de veilige haven spreken we grote woorden over ons eigen handelen en dat van God. 
We zingen liederen als ‘Jezus, Overwinnaar’ en ‘Voorwaarts, christenstrijders’.
Maar wat wanneer we ons bedreigd voelen. 
Ervaren dat we alleen staan in het geloof. 
Laten we op dat moment Jezus alleen staan door te verloochenen dat wij Hem kennen?
De haan kraaide. 
Niet één keer. 
Niet twee keer. 
Drie keer verloochende Petrus Jezus. 
Precies zoals Jezus gezegd had. 
Jezus, die weet dat Petrus op de binnenplaats is. 
Jezus, die weet dat Petrus wel wil, maar niet durft. 
Jezus, die Petrus aankijkt. 
Te midden van al de mensen op de binnenplaats van het huis van de hogepriester 
ziet Jezus Petrus. 
Ziet Hij de worsteling in zijn hart. 
Petrus staat er niet alleen voor. 
Jezus is er voor Petrus.
Jezus is er voor hem. 
Jezus staat voor hem. 
Jezus staat voor hem terecht. 
Alleen Petrus kan dit nog niet begrijpen. 
Het dringt niet tot hem door wat er gebeurt en staat te gebeuren. Hij voelde slechts de angst en voelt nu het verdriet opkomen. 
Hij heeft Jezus, zijn Meester verloochend. 
Het voelt als een messteek in het hart. 
Hij kan Jezus niet langer onder ogen komen. 
Hij verlaat de binnenplaats en huilt buiten bittere tranen.
Petrus huilt en verdwijnt in de ochtendnevel. 
Precies zoals het moet zijn. 
Want de Heere Jezus zal alleen de weg gaan waarvan de Vader wil dat Hij die aflegt. 
De weg naar Golgotha. 
Daar zal Hij alleen de straf dragen voor de zonde van de wereld.
Van mens en God verlaten. 
Al is Hij niet eenzaam. 
Hij weet Zijn hemelse Vader bij Zich.
En Petrus? 
En wij? 
Wij raken even uit beeld. 
Alle ogen zijn gericht op Jezus en op de weg die Hij gaat. 
Zo moet het ook zijn. 
Van jezelf afzien en zien op Jezus. 
Zien op Hem die jou allang gezien heeft. 
Zien op Hem die precies weet wat er in jouw hart leeft. 
Zien op Hem die jouw worstelingen kent. 
Ook de aarzelingen over het belijden van het geloof.
Maar wie ziet op Jezus, die mag weten niet alleen te zijn. 
Niet alleen als er niemand is en ook niet alleen te midden van een menigte. 
Jezus is aan het kruis door God verlaten, opdat wij nooit meer door Hem verlaten zullen worden. 
Hij gaat met ons mee op onze levensweg door het leven. 
Hij geeft kracht om Jezus te volgen en sterkt ons in geloof. 
Hij geeft ons hoop. 
Vraagt iemand u waarop de hoop die in u leeft gebaseerd is, 
wees dan steeds bereid om u te verantwoorden. 
Wees niet bang. 
Je staat er niet alleen voor.

Uitgesproken tijdens een avond in de Stille week in Giessen-Oudekerk

Vanuit theologisch oogpunt wordt er door velen gekeken naar het coronatijdperk en wordt de vraag gesteld wat God ons hiermee wil zeggen. In een eerdere blog schreef ik hier al iets over. Is het een straf, een teken, een waarschuwing. In een artikel in Time trekt N.T. Wright een andere lijn. Hij gaat niet op de pool zitten van ik weet het, maar betrekt de tegenovergestelde positie. Die van het niet weten. Een verstandige keus. Wie kan de tijd duiden en Gods hand in de geschiedenis ontwaren? Al zien we dat dit in de Bijbel wel gebeurt. Nadrukkelijk worden gebeurtenissen verbonden aan Gods handelen. Een straf. Een teken. Een waarschuwing. Het is iets dat we ook in de kerkgeschiedenis tegenkomen. Oorlogen met het daarbij horende verlies of de overwinning en (natuur)rampen werden geduid als komend uit de hand van God. De Heere regeert. Zo klinkt het vanuit Zondag 9 en 10 van de Heidelbergse Catechimus.

Maar dus niet bij N.T. Wright. Het niet weten krijgt bij hem een andere uitwerking. Het niet weten koppelt hij aan klagen. Want als alom de vraag gesteld wordt naar het waarom en er geen antwoord is, dan rest er niets meer dan te klagen.

Terecht verbindt hij het klagen met de psalmen. Juist in het boek van de psalmen komen we talloze klaagliederen aan. In het artikel verwijst hij naar Psalm 6, Psalm 13 en Psalm 22. Wright kan dus niets met de genoemde zondagen uit de Catechismus. Hij zegt: “Some Christians like to think of God as above all that, knowing everything, in charge of everything, calm and unaffected by the troubles in his world. That’s not the picture we get in the Bible”.

Dit alles maakt dat naar zijn mening christenen niet moeten verklaren. Daar ligt volgens hem niet de roeping van een christen. De roeping van een christen in deze tijd is juist om niet te verklaren, maar om te klagen.

Hoewel ik een eind met hem op weg kan, haak ik uiteindelijk toch af. Is dit omdat ik wel wil verklaren. Ik zou het willen, maar er is een andere reden. Ik haak af omdat hij niet alleen de psalmen niet geheel laat klinken, maar vooral het Nieuwe Testament dicht laat.

Wanneer ik Psalm 13 lees, dan komt het geklaag en de pijn recht op mij af. David ervaart Gods nabijheid niet en hij weet het niet. Hij kan alleen maar klagen. Of toch niet. Want het laatste vers spreekt totaal andere taal. Het geklaag wordt naar de achtergrond verdrongen. Niet omdat David ineens God ervaart en het allemaal weet en kan verklaren. Er is niets veranderd in zijn situatie. Maar wat er plaats vindt, is dat zijn gevoel en zijn verstand het veld moeten ruimen voor geloof en vertrouwen. Zoals God er geweest is, zo zal Hij er zijn. ook al zie, voel en begrijp ik er niets van.

Komen we dit ook niet tegen bij de kruisiging van de Heere Jezus? Hij citeert Psalm 22. Jezus klaagt. Maar zijn laatste kruiswoord is: “Vader, in Uw handen beveel Ik Mijn geest”. Hier is het klagen verdwenen en verdreven door geloof en vertrouwen. Jezus weet, dat Zijn Vader er voor Hem is.

Alle reden om ons niet te verliezen in het klagen alleen. Ik weet het niet, maar ik weet wel dat God nabij is. Ik kan mijn leven in Zijn handen leggen. Daar mag ik op vertrouwen. Helemaal in het licht van de opstanding van Jezus. Op Paasmorgen liet de Heere God zien, dat Hij er is. Dat is voor mij het allerbelangrijkste in deze tijd. Ik kan niet duiden en ik wil niet klagen. Dankbaar stel ik het vertrouwen op de Heere, mijn God. Daarom lees ik de Psalmen en laat ik het Nieuwe Testament niet dicht. Er mag geloofsvertrouwen zijn. Jezus leeft en ik met Hem. Een bemoedigende en troostvolle gedachte.

De ophef die ontstaan is na de publicatie van de Nashville-verklaring kwam achteraf niet als een verrassing en was vooraf te verwachten. Tegelijk ging het alle perken te buiten. Iedereen en dan ook iedereen moest zijn zegje er over doen. Waarbij vooral zonder enige onduidelijkheid naar voren kwam hoe verschrikkelijk deze verklaring wel niet was en hoe ver men er afstand van nam. BN-ers lieten van zich horen. Burgerlijke gemeenten hesen de regenboogvlag en kerken / dominees lieten weten dat bij hen iedereen wel welkom was.

Het was achteraf toch ook wel verrassend dat er zo massaal door heel Nederland gereageerd werd. Tenminste het leek alsof heel Nederland reageerde. Dit was natuurlijk niet zo, maar de reacties waren zo fel en luid, dat het leek dat Nederland even unaniem was in de afwijzing. Grote vraag is natuurlijk waar die eensgezindheid vandaan kwam. Wat heeft er voor gezorgd dat opstellers en ondertekenaars als haters werden neergezet en allerlei scheldkanonnades over zich heen kregen?

Het lezen van draadjes op Twitter en van afzonderlijke Tweets. Gaven mij wel een idee naar de oorzaak. Eigenlijk moet ik zeggen dat een gebeurtenis van een aantal jaren geleden mij stof gaf om tot het begrijpen te komen. De uitkomst. Het verschil met betrekking tot identiteitsbepaling.

Het was in de lijdenstijd op een bijeenkomst van regionale predikanten, dat een predikante een opening hield over Goede Vrijdag. Een prima opening. Dit was de overtuiging van al de aanwezigen. Zowel de vrijzinnige collega’s, als de Gereformeerde bondspredikanten waren onder de indruk. Een unieke situatie. Soms zou je dan ook willen dat de tijd even stilgezet kon worden. Want unieke situaties duren zelden lang. Zo ook nu niet. Er volgde een gesprek over de inleiding, waarbij de inleidster op een gegeven moment zei: “Ik heb niets met het woord schuld. Ik ben zoals ik ben. Zo hebben mensen mij te accepteren”. Vervolgens kwamen de vragen. Als je niets hebt met schuld, wat heb je dan met Goede Vrijdag? Een andere collega voegde toe, dat voor hem Jezus het type was van de lijdende mens. Op de vraag of dit ook iemand anders kon zijn, antwoordde hij met ja. De eenheid die er even leek te zijn, was plotsklaps volledig verdwenen, alsof die er nooit geweest was.

Een aantal reacties op de Nashville-verklaring deden mij hier aan denken en zorgden er voor dat ik ontdekte, dat er een groot verschil is in de manier van in het leven staan. Twee manieren die draaien om het woord identiteit. Waardoor wordt bepaald wie ik ben?

Tijdens de bijeenkomst van predikanten werd duidelijk dat bij de betreffende predikante de identiteit bepaald werd door haarzelf. Zo ben ik. Dit ben ik. Dit klinkt mogelijk niet vreemd in de oren. Want mijn identiteit is toch wie ik ben. Maar zo wordt dit niet opgevat door de rechterflank van de kerk. De identiteit van de mens wordt niet bepaald door wie je bent, maar door wie je voor God zou moeten zijn. Wie op deze manier naar zichzelf kijkt, die ziet vele gebreken en tekortkomingen. Die ziet schuld. Die ziet een zondaar voor Gods aangezicht. Die ziet de noodzaak van bekering en ook van verzoening en vergeving van zonden, omdat door eigen kracht niet aan Gods doel voldaan kan worden. Deze mens heeft een middelaar nodig tussen God en mens.

De kerk van alle tijden en plaatsen heeft deze Middelaar gevonden in Jezus Christus, die beleden wordt als Gods Zoon. Gods zelf die mens geworden is om aan het kruis Zijn leven te geven en de losprijs te betalen om allen die in Hem geloven met God te verzoenen. Wie zonde en schuld kent in zijn leven, die zal dankbaar gebruik willen maken van de verlossing die God biedt in Jezus. Maar hier houdt het niet op. Wie ziet op de gekruisigde Christus en na schuldbelijdenis vergeving van zonden ontvangen heeft, die zal uit dankbaarheid willen leven naar Gods wil. In deze situatie is het uitermate belangrijk om Gods Woord zo te onderzoeken, dat Zijn wil duidelijk wordt. Want alleen dan kan met behulp van de Heilige Geest rechtvaardig voor God geleefd worden. Hierbij kent men de gedachte van Maarten Luther, dat men tot de wederkomst van Jezus tegelijk rechtvaardig en zondaar blijft.

Wie niets met het woord schuld heeft en de eigen identiteit in zichzelf vindt en van mening is, dat iedereen hem/haar maar moet nemen hoe hij/ zij is, die zal niet de noodzaak hebben om in de Bijbel op te zoek te gaan naar allerlei regels van hoe God wil dat een mens leeft. Ik leef zoals ik ben. Want zo ben ik en zo moet iedereen en ook God mij accepteren. Zo heeft God mij toch gemaakt.

Wie dit laatste standpunt huldigt, die zal van mening zijn dat ieder mens er mag zijn zoals die mens er wil zijn. Wie het andere standpunt aanhangt, zal van mening zijn dat een mens de eigen identiteit moet vinden in Christus en dat Gods norm bepalend is. In het eerste geval is er volledige acceptatie van LHBTIQ-ers en die mogen zijn en blijven zoals zij zelf willen. In het tweede geval is er wel de acceptatie, maar zal op de weg van het geloof gestreden moeten worden tegen zonden. Hier komt de interpretatie van de Bijbel om de hoek kijken. Waarbij de klassiek christelijke invulling van het huwelijk die is van het monogame huwelijk van één man en één vrouw in liefde en trouw.

Twee verschillende uitgangspunten betreffende de identiteit van de mens zorgen ervoor dat er verschillende uitkomsten zijn en dat men elkaar niet begrijpt, maar ervaart als bedreigend. Wanneer het uitgangspunt gedeeld wordt dat de identiteit gevonden behoort te worden in Christus, dan zal zonder verklaringen en in allen openheid het gesprek gevoerd moeten worden over de interpretatie van de Bijbelse teksten. Dit alles coram Deo.