De ophef die ontstaan is na de publicatie van de Nashville-verklaring kwam achteraf niet als een verrassing en was vooraf te verwachten. Tegelijk ging het alle perken te buiten. Iedereen en dan ook iedereen moest zijn zegje er over doen. Waarbij vooral zonder enige onduidelijkheid naar voren kwam hoe verschrikkelijk deze verklaring wel niet was en hoe ver men er afstand van nam. BN-ers lieten van zich horen. Burgerlijke gemeenten hesen de regenboogvlag en kerken / dominees lieten weten dat bij hen iedereen wel welkom was.

Het was achteraf toch ook wel verrassend dat er zo massaal door heel Nederland gereageerd werd. Tenminste het leek alsof heel Nederland reageerde. Dit was natuurlijk niet zo, maar de reacties waren zo fel en luid, dat het leek dat Nederland even unaniem was in de afwijzing. Grote vraag is natuurlijk waar die eensgezindheid vandaan kwam. Wat heeft er voor gezorgd dat opstellers en ondertekenaars als haters werden neergezet en allerlei scheldkanonnades over zich heen kregen?

Het lezen van draadjes op Twitter en van afzonderlijke Tweets. Gaven mij wel een idee naar de oorzaak. Eigenlijk moet ik zeggen dat een gebeurtenis van een aantal jaren geleden mij stof gaf om tot het begrijpen te komen. De uitkomst. Het verschil met betrekking tot identiteitsbepaling.

Het was in de lijdenstijd op een bijeenkomst van regionale predikanten, dat een predikante een opening hield over Goede Vrijdag. Een prima opening. Dit was de overtuiging van al de aanwezigen. Zowel de vrijzinnige collega’s, als de Gereformeerde bondspredikanten waren onder de indruk. Een unieke situatie. Soms zou je dan ook willen dat de tijd even stilgezet kon worden. Want unieke situaties duren zelden lang. Zo ook nu niet. Er volgde een gesprek over de inleiding, waarbij de inleidster op een gegeven moment zei: “Ik heb niets met het woord schuld. Ik ben zoals ik ben. Zo hebben mensen mij te accepteren”. Vervolgens kwamen de vragen. Als je niets hebt met schuld, wat heb je dan met Goede Vrijdag? Een andere collega voegde toe, dat voor hem Jezus het type was van de lijdende mens. Op de vraag of dit ook iemand anders kon zijn, antwoordde hij met ja. De eenheid die er even leek te zijn, was plotsklaps volledig verdwenen, alsof die er nooit geweest was.

Een aantal reacties op de Nashville-verklaring deden mij hier aan denken en zorgden er voor dat ik ontdekte, dat er een groot verschil is in de manier van in het leven staan. Twee manieren die draaien om het woord identiteit. Waardoor wordt bepaald wie ik ben?

Tijdens de bijeenkomst van predikanten werd duidelijk dat bij de betreffende predikante de identiteit bepaald werd door haarzelf. Zo ben ik. Dit ben ik. Dit klinkt mogelijk niet vreemd in de oren. Want mijn identiteit is toch wie ik ben. Maar zo wordt dit niet opgevat door de rechterflank van de kerk. De identiteit van de mens wordt niet bepaald door wie je bent, maar door wie je voor God zou moeten zijn. Wie op deze manier naar zichzelf kijkt, die ziet vele gebreken en tekortkomingen. Die ziet schuld. Die ziet een zondaar voor Gods aangezicht. Die ziet de noodzaak van bekering en ook van verzoening en vergeving van zonden, omdat door eigen kracht niet aan Gods doel voldaan kan worden. Deze mens heeft een middelaar nodig tussen God en mens.

De kerk van alle tijden en plaatsen heeft deze Middelaar gevonden in Jezus Christus, die beleden wordt als Gods Zoon. Gods zelf die mens geworden is om aan het kruis Zijn leven te geven en de losprijs te betalen om allen die in Hem geloven met God te verzoenen. Wie zonde en schuld kent in zijn leven, die zal dankbaar gebruik willen maken van de verlossing die God biedt in Jezus. Maar hier houdt het niet op. Wie ziet op de gekruisigde Christus en na schuldbelijdenis vergeving van zonden ontvangen heeft, die zal uit dankbaarheid willen leven naar Gods wil. In deze situatie is het uitermate belangrijk om Gods Woord zo te onderzoeken, dat Zijn wil duidelijk wordt. Want alleen dan kan met behulp van de Heilige Geest rechtvaardig voor God geleefd worden. Hierbij kent men de gedachte van Maarten Luther, dat men tot de wederkomst van Jezus tegelijk rechtvaardig en zondaar blijft.

Wie niets met het woord schuld heeft en de eigen identiteit in zichzelf vindt en van mening is, dat iedereen hem/haar maar moet nemen hoe hij/ zij is, die zal niet de noodzaak hebben om in de Bijbel op te zoek te gaan naar allerlei regels van hoe God wil dat een mens leeft. Ik leef zoals ik ben. Want zo ben ik en zo moet iedereen en ook God mij accepteren. Zo heeft God mij toch gemaakt.

Wie dit laatste standpunt huldigt, die zal van mening zijn dat ieder mens er mag zijn zoals die mens er wil zijn. Wie het andere standpunt aanhangt, zal van mening zijn dat een mens de eigen identiteit moet vinden in Christus en dat Gods norm bepalend is. In het eerste geval is er volledige acceptatie van LHBTIQ-ers en die mogen zijn en blijven zoals zij zelf willen. In het tweede geval is er wel de acceptatie, maar zal op de weg van het geloof gestreden moeten worden tegen zonden. Hier komt de interpretatie van de Bijbel om de hoek kijken. Waarbij de klassiek christelijke invulling van het huwelijk die is van het monogame huwelijk van één man en één vrouw in liefde en trouw.

Twee verschillende uitgangspunten betreffende de identiteit van de mens zorgen ervoor dat er verschillende uitkomsten zijn en dat men elkaar niet begrijpt, maar ervaart als bedreigend. Wanneer het uitgangspunt gedeeld wordt dat de identiteit gevonden behoort te worden in Christus, dan zal zonder verklaringen en in allen openheid het gesprek gevoerd moeten worden over de interpretatie van de Bijbelse teksten. Dit alles coram Deo.

Bent u er in uw hart van overtuigd dat u wettig door Gods gemeente en daarom door God Zelf tot deze heilige dienst geroepen bent?

 

Mooie en rijke woorden zijn dit. Ze komen uit het formulier voor de bevestiging of verbintenis van een predikant. Woorden die allereerst het hart aanspreken. Predikant worden of bevestigd worden in een andere gemeente is meer dan een zakelijke overweging. Het gaat er om dat de predikant in het hart overtuigd is tot deze heilige dienst geroepen te zijn op een wettige manier door Gods gemeente en daarom door God Zelf.

Dit is nogal wat. Het laat zien dat predikant-zijn van een andere orde is. Je kiest er niet zelf voor. Op een wettige wijze door Gods gemeente en daarom door God Zelf geroepen en hiervan in het hart overtuigd. Nu zal de overtuiging bij de een sterker zijn dan bij de ander en de ene keer ook duidelijker dan een andere keer, maar iedere predikant zal het besef kennen, dat de roep van Gods gemeente en daarmee van God Zelf bepalend is geweest om het beroep aan te nemen.

 

Dit alles is heel existentieel en daarmee maakt het de predikant ook kwetsbaar. Ik denk aan degene die zich geroepen voelde om theologie te gaan studeren, alles afgerond heeft en toegelaten is, maar nooit verder komt dan proponent. Geen enkele gemeente doet de roep uitgaan en het komt nooit tot de bevestiging tot predikant. Ik denk aan die predikant die eens bevestigd mocht worden, maar nooit meer een beroep heeft ontvangen.

 

Toen ik zelf bevestigd werd als predikant, is tegen mij gezegd, dat dit de eerste, maar ook de laatste gemeente kon zijn. Iets wat ik besefte, maar tegelijk ging ik er niet vanuit. Maar hoe is het wanneer dit wel het geval blijkt te zijn? Of voor een predikant, die wel een tweede standplaats mocht krijgen, maar daarna nooit meer een hoorcommissie gesproken heeft? Je kunt als predikant je instellen op de gedachte ik zal deze gemeente blijven dienen tot mijn emeritaat, want blijkbaar ben ik geroepen om hier te blijven arbeiden. Maar wat als de gemeente of enkelen uit de gemeente hier anders over denken. Het zijn niet weinigen predikanten die zelf en in de gemeente opmerken dat het goed is om van standplaats te wisselen, maar hiertoe geen mogelijkheid hebben.

 

Het waarom is niet simpel te beantwoorden door te zeggen dat ze geen beroep krijgen. Want waarom komt dat beroep er niet? Zijn ze te oud? Boven de 45 jaar. Zijn ze te jong? Onder de 62 jaar. Zijn ze te weinig communicatief. Of te weinig aansprekend. Of te weinig ….. Of roept God ze niet? Maar het lijkt me toch ook niet naar Gods wil dat een predikant op de duur losgemaakt wordt van de gemeente. Wat een ellende. Niet alleen voor de predikant en het gezin, maar ook voor de gemeente. Dan is het allemaal niet meer zo geestelijk als het bij de bevestiging geklonken heeft.

Dit lijkt me dus niet juist. Daarom ligt de oplossing van dit alles ook niet in een kerkordelijke wijziging en het bieden van de mogelijkheid om naar 12 jaar in onderling goed overleg uit elkaar te gaan. Gemeenten en beroepingscommissie zullen antwoord moeten geven op de vraag waarom bepaalde predikanten bewust over worden geslagen. Is in het gebed duidelijk gekregen dat bepaalde predikanten niet beroepen moeten worden? Of was het vooral een verstandelijke beslissing en was het hart er niet bij betrokken.

De predikant behoort in het hart overtuigd te zijn. Laten gemeenten en beroepingscommissie dit ook ter harte nemen. Het kan niet zo zijn, dat de Heere geroepen heeft tot het ambt van predikant en daarna de geroepen predikant aan het lot overlaat. Laat daarom telkens weer de vraag in gebed gesteld mogen worden: “Heere, wie wilt U dat geroepen wordt om bevestigd te worden als predikant aan onze gemeente?”

Was het toevallig dat ik vanmorgen het labeltje van het theezakje bekeek? Nee, dat doe ik elke keer wanneer ik voor mijzelf en eventueel anderen thee zet. Het was dus geen toeval dat ik las: “Geloof jij in toeval”. Ik was wel verrast. Ik las immers een vraag over geloof en in het openbare leven kom je dit niet vaak tegen. De meeste bedrijven zorgen ervoor dat ze geen associaties oproepen met geloof. Al wordt het een enkele keer bewust opgezocht, zoals bij de reclame van Samsung Galaxy 60s.      Maar nu dus ook op een labeltje van een theezakje van Pickwick.

Geloof jij in toeval.

Het hangt er misschien wel vanaf wat we onder geloven verstaan. In veel gevallen betekent het ‘vertrouwen op’. Vertrouw ik op toeval. Ik vermoed dat veel mensen hier met nee op zullen antwoorden. Want vertrouwen op toeval is als het vinden van een speld in een hooiberg, terwijl je de koeien aan het melken bent. Want vertrouwen op toeval is sterker dan geloven dat iets wel goed zal komen.

De tekst op het labeltje heeft volgens mij dan ook een andere betekenis.

Is het veelmeer de vraag of toeval bestaat? Dit is een lastige. Allemaal kennen we gebeurtenissen en ontmoetingen die we als toevallig bestempelen. Het is een toevalstreffer wanneer je een bekende tegenkomt in een miljoenenstad of wanneer je een reclameaanbieding tegen het lijft loopt van een smartphone die je net wilde aanschaffen. Bestaat hiermee toeval? Het geeft feitelijk gebeurtenissen aan waar je geen rekening mee had gehouden en niet had verwacht. Laten we dit als definitie aannemen. Iets is toevallig wanneer je met iets geen rekening had gehouden en ook niet had verwacht.

Maar kun je hierin geloven?

Kun je belijden te geloven in gebeurtenissen die onverwacht plaats vinden en waarmee je geen rekening had gehouden. Kun je daarop vertrouwen? Wie hier ja op zegt, komt al heel snel uit bij een macht achter toeval. Maar is het dan nog toeval? De theoloog dr. K.H. Miskotte heeft ooit geschreven: “Toeval is iets wat ons tot onze onbegrijpelijke vreugde toe-valt. Het is een onverwachte, ondenkbare gave, iets dat mensen op een gegeven ogenblik in hun leven van hoger Hand toe-valt.” Hij ziet een hogere Hand. De hand van God. Hij zei dit in het licht van een gebeurtenis uit het Bijbelboek Ruth. In Ruth 2 vers 3 lezen we dat het Ruth overkwam dat zij op een deel van de akker van Boaz terecht kwam. In de Staten vertaling staat ‘bij geval’, maar het Hebreeuwse woord is ook te vertalen met toeval, zoals gebeurd is in de Nieuwe Bijbelvertaling.

Hierin wil en kan ik geloven. Geloven dat zaken mij toevallen omdat God ze schenkt. Met een ander woord wordt dit ook wel genade genoemd. Want wat God schenkt is geen loon naar werken, maar is onverdiend. Toeval is zo een wonder. Niet alleen onverdiend, maar ook onverwacht en iets waarmee geen rekening gehouden is. In het boek Het gewone leven. In den spiegel van het boek Ruth staat een citaat van Miskotte wat dit nog sterker uitdrukt: “het wonder Gods is bij uitstek Toeval, d.i. wat ons, tot onze onbegrijpelijke vreugde toe-valt, voor onze blijde voeten geworpen wordt als een onverwachte, ondenkbare gave.”

Wie dit op zich laat inwerken die verlaat al snel de gedachten over toevallige gebeurtenissen en ontmoetingen. Want er is iets veel groters dat ons van Godswege toevalt. De genade van Christus. Hij die uit het geslacht van Ruth is, is de Verlosser die ons door de Heere God geschonken is en die zelf Zichzelf gaf om onverdiende zaligheden toe te laten vallen aan hen die dit niet verdiend hebben. Wat is het grandioos wanneer we van harte mogen geloven dat vergeving van zonden en verzoening ons toevallen door het geloof in de gekruisigde en opgestane Heere en Zaligmaker. In Zijn Zoon is God met ons. Iets dat een enkele keer zichtbaar wordt in hele kleine dingen die we achteloos toeval noemen.

 

Nu de Eerste Kamer zich buigt over het wetsvoorstel van D’66 Kamerlid Pia Dijkstra verschijnen ook in christelijk Nederland allerlei reacties. Voor en tegenstanders van de wet manifesteren zich. Rentmeesterschap en naaste liefde zijn hierbij begrepen die veelvuldig gebruikt worden. Om niet in herhaling te vallen wil ik een andere insteek maken. Namelijk vanuit #MeToo.

In oktober 2017 ging de hashtag, die al in 2006 bedacht is, viral. Aanleiding is het seksueel misbruik van vrouwen door mannen in machtsposities. Het moet afgelopen zijn met seksuele intimidatie en aanranding en wie zijn handen niet kan thuis houden die wordt openlijk beschuldigd. De hashtag #MeToo laat duidelijk zien dat je van een ander en in het bijzonder van de intieme delen van het vrouwelijke lichaam afblijft. Alleen wanneer een vrouw zonder dwang nadrukkelijk toestemming geeft, mag een man zijn hand uitstrekken naar haar geslachtsorganen.

Het principe is helder. Nee is nee, maar geen nee betekent geen ja.

 

Laten we dit principe nu eens toepassen op orgaandonatie. Wie in het donorregister aangegeven heeft dat de organen na het overlijden niet beschikbaar zijn voor transplantatie heeft duidelijk nee gezegd en nee is nee. Maar is het juist om een ja te veronderstellen wanneer iemand geen nee heeft gezegd? Dit gaat in tegen het principe dat we tegengekomen zijn bij #MeToo. Geen nee betekent geen ja.

 

Het lijkt mij dat er alles aangedaan mag worden om mensen te stimuleren om de organen na het overlijden beschikbaar te stellen voor transplantatie. Maar wanneer iemand dit niet heeft aangegeven in het donorregister is het ongepast om een ja te veronderstellen.

Handen af van ieder orgaan zonder uitdrukkelijke toestemming van de persoon zelf of bij orgaantransplantatie van de nabestaanden.

   
Weet u, bij ons hangen bij de kerkdeuren zendingsbussen. De gemeenteleden hebben elke zondag tot twee keer toe de gelegenheid om het zendingswerk te ondersteunen. Trouw wordt het opgehaalde geld overgemaakt naar de GZB. Onder andere voor Willem-Jan de Wit in Egypte. Misschien herkent u dit wel.

O wacht even.

Elk jaar staat er ook in het kerkblad dat mensen het dagboekje van de GZB kunnen bestellen. Bij trouwe lezers gaat de zendingscommissie langs de deur. Door ‘Een hand vol koren’ brengen we de zending ook onder de aandacht van de gemeenteleden. Misschien herkent u dit wel.

O wacht even.

Is door deze twee manieren de hele gemeente enthousiast voor zending? Krijgt op deze twee manieren zending binnen de gemeente de aandacht die het verdient? Nee, ik zet geen streep door de zendingsbussen, laat ze maar mooi hangen, en ik zet ook geen streep door het dagboekje, gewoon ieder jaar weer proberen te verkopen. Ik zet er geen streep door en ik plaats ook geen vraagtekens bij het nut van de zendingsbussen en de dagboekjes. Ik stel er wel een vraag bij. Krijgt zending werkelijk op deze manier de aandacht die het verdient?

Misschien moeten we de vraag eerst opsplitsen, want er komt nogal wat ter sprake. Het gaat over zending en de aandacht daarvoor binnen de gemeente. Nu is er binnen de gemeente veel wat aandacht verdient, maar welke plek krijgt zending hierin? Welke aandacht moet er binnen de gemeente voor zending zijn? Daar komt nog een vraag bij. Is de gemeente overtuigd dat zending aandacht verdient binnen de gemeente? Loopt ze er warm voor

Dat zijn nogal wat vragen waar je als Thuis Front Commissie tegenaan kunt lopen. U zat misschien al in de zendingscommissie of u was al een bekende van de persoon of het gezin dat namens de GZB uitgezonden is. Het was niet onlogisch om plaats te nemen in de TFC. Natuurlijk. Vanzelfsprekend.

Van harte wilt u de gemeente stimuleren om met gebed, meeleven en financiële steun bij de zendingswerker betrokken te zijn. Ook heeft het uw hart om het werk van de zendingswerker zo goed mogelijk voor het voetlicht te brengen. U ervaart in het begin dat het allemaal loopt. De uitzenddienst was geweldig. Zegenrijk. U ervaart ondersteuning van uw werk, maar vooral van het werk van de zendingswerker. Maar na verloop van tijd verdwijnt het enthousiasme.

Op welke manier kan zending binnen de gemeente de aandacht krijgen die het verdient? Deze vraag dringt zich op. Want in de gemeente spelen na verloop van tijd andere zaken die volop de aandacht krijgen. Waar enthousiasme voor is. Er zijn andere acties waar gebed en ook geld voor gevraagd worden. En de gemeenteleden zijn ook zelf weer met andere zaken betrokken.

We hebben de vraag in stukje geknipt. Laten we die stukjes een voor een ter hand nemen. We hebben gezegd dat er binnen de gemeente veel is wat aandacht verdient. Jongeren en ouderen. Zieke en rouw dragende gemeenteleden. Daarnaast vraagt het vluchtelingenwerk meer aandacht. Ook zijn er talloze kerkelijke activiteiten. Catechese, clubwerk, Vorming en Toerusting, het evangelisatiewerk. Welke plek krijgt zending temidden van die activiteiten?

Het lijkt alsof er een plek bevochten moet worden. De ellenbogen gebruiken om zending meer in het voetlicht te krijgen. Dat is toch al te gek. Maar dat zending aandacht behoort te krijgen is helder. Een kerk zonder zending verliest de band met de wereldkerk. Verliest ook een deel van de opdracht die de kerk heeft. Hoe de gemeente enthousiasmeren voor zending?

Hier gaat een vraag aan vooraf. Welke aandacht moet er binnen de gemeente voor zending zijn? Welk antwoord geven jullie op deze vraag? Waarbij gezegd mag worden dat dit een vraag is waarvan het goed is dat jullie als TFC’s hierover nagedacht hebben. In andere woorden: Wat zouden we willen bereiken? Moet heel de gemeente enthousiast zijn en evenveel weten van de ondersteunde zendingswerker of mag dit gedifferentieerd zijn? Wat is het minimale waarvan we willen dat bij iedereen bekend is? Het minimale enthousiasme. Ik kom hier later op terug.

 

Naast opvatting van de TFC’s over de aandacht van zending binnen de gemeente, is er ook de vraag of de gemeente overtuigd is dat zending aandacht verdient binnen de gemeente? Nu draaien we de vraag om en bekijken we het van de kant van de gemeente. Een TFC kan van alles willen, maar hoe staat de gemeente daartegenover. Is er al iets enthousiasme?

Wanneer we deze vraag stellen dan kijken we naar de huidige interesse van de gemeente voor zending. Die kan hoog zijn. Die kan op het gewenste niveau zitten. Maar die kan ook beneden alle peil zijn. In hoeverre is het nodig dat de gemeente allereerst groeit in het besef van de noodzakelijkheid van zending. Laat ik het anders zeggen. Is er in de gemeente een bodem waarop de TFC het werk kan doen? In Giessenburg was er een bodem.

Toen ik als predikant verbonden werd aan de hervormde Gemeente Giessen-Nieuwkerk werd er ondersteuning gegeven aan een zendingsechtpaar. Zij werken via de GZB in Malawi. Hun terugkeer naar Nederland maakte een einde aan deze ondersteuning. Was het toen vanzelfsprekend om opnieuw iemand te gaan ondersteunen. Ik moet zeggen van ja. Tegelijk is hier niet alles mee gezegd. Dat de zendingscommissie in het bijzonder er werk van maakte om iemand anders te ondersteunen had namelijk een drietal redenen. Als eerste is er een zeker bewust zijn van de noodzaak van zending. Dit bewust zijn bewerkt dat er regelmatig mensen een beroep doen op de diaconie omdat zij een tijdelijke activiteit ondernemen die onder gebracht kan worden onder de kop zending.

Doordat er tijdelijke activiteiten zijn van gemeenteleden die onder de noemer van zending gebracht kunnen worden en die ondersteund werden door de diaconie, wordt de gemeente telkens weer bepaald bij zending. Het mooie is dat andere initiatieven niet bedreigend hoeven te zijn, maar juist ten positieve kunnen doorwerken. Wat voor de daadwerkelijke keuze vooral bepalend is geweest, is de reis die ik zelf twee jaar geleden gemaakt heb naar Egypte, maar daar later meer over.

De vraag was of er in de gemeente een bodem is waarop de TFC het werk kan doen? Wanneer die bodem ontbreekt, gaat het anders en zal binnen de TFC, de zendingscommissie en de kerkenraad hierover gesproken moeten worden. Beginpunt is het besluit tot het ondersteunen van een zendingswerker. Dit is niet iets van een paar mensen, maar van heel de gemeente. Gezamenlijk zal gekeken behoren te worden op welke wijze er een fundament voor het belang van het zendingswerk gelegd kan worden of hoe het enthousiasme voor zending omhoog gekrikt kan worden.

Het mooie van deze gezamenlijke discussie is dat deze niet slechts gevoerd wordt door de TFC en door de zendingscommissie, maar ook door de kerkenraad. Op deze manier wordt er een vloertje gelegd. Samen kan besproken worden op welke manier vormgegeven wordt aan het zendingswerk. Op welk niveau moet het gaan leven?

 

Heel minimaal is dat meer dan het overgrote deel van de gemeente de naam en het gezicht kent van de zendingswerker. Natuurlijk kunt u een foto bij de zendingsbussen hangen. U kunt ook de hele kerkzaal vol hangen met foto’s. Ik vermoed dat u zelf wel een tussenweg kunt bedenken. Wezenlijk is dat er een lampje gaat branden wanneer mensen de naam horen of de foto zien. Waarbij herhaling wezenlijk is.

Vlak boven dit minimum is de kennis over het land waar de zendingswerker werkzaam is. Op allerlei manieren is het mogelijk om dit land zo nu en dan centraal te stellen. Dan kunt u denken aan hapjes op een gemeenteavond die horen bij het betreffende land. Maar u bent waarschijnlijk veel creatiever dan ik ben in het bedenken van mogelijkheden. Maar door het land zichtbaar te maken komt onbewust ook de zendingswerker voor het voetlicht te staan. Zo wordt aandacht gegenereerd voor zending.

Een tijd geleden heb ik via Facebook de vraag gesteld of men weet wie we namens de GZB ondersteunen. In welk land deze persoon werkt en wat hij daar doet. Hoewel in sommige antwoorden de naam verkeerd geschreven was, was ik niet ontevreden. Het maakte dat ik op zijn verjaardag gerust een foto van hem kon posten met de vraag hem te feliciteren met zijn verjaardag. Velen wisten wie hij was en wat hij deed.

Facebook is één van de sociale media. Persoonlijk is naast de aandacht voor zending in de prediking de sociale media voor mij een middel dat volop gebruikt kan worden. Hiervoor kreeg ik twee jaar geleden via de GZB een geweldige kans. Een reis naar Egypte gaf de mogelijkheid om via de website hervormdgiessenburg.blogspot.nl en via Facebook informatie te geven over de christenen aldaar. Zo was er een korte periode waarin de gemeente veel meekreeg over zending in deze tijd. Vooral 30-plussers werden zo geïnformeerd. De oudere gemeenteleden hoorden het op een gemeenteavond.

Foto’s, filmpjes, verhalen. Ze komen nog weleens terug. Mede door het jongerenproject van dit jaar van de GZB en de HGJB. Ik kan met een gerust hart de jongeren verzekeren dat de situatie in Caïro er zo uit ziet als de filmpjes laten zien. Ik kan daarbij iets vertellen over de armoede die ik in de zuidelijke provincie Minya heb aangetroffen.

U begrijpt dat dit niet alleen iets doet met de catechisanten, maar ook iets met mij gedaan heeft. De tijd in Egypte, was kort, maar vormt een mens. Het Midden-Oosten was mij bekend door vier reizen naar Israël, maar dit is geheel anders. Vooral door de ontmoeting met gewone protestantse christenen. Ik mocht deze ontmoetingen hebben in het zuiden van Egypte, maar ook in de achterstandswijken van Caïro waar het vuil meters hoog op straat ligt en mensen dicht op elkaar gepakt wonen.

 

Toen vorig jaar het ondersteunen van het zendingsechtpaar afliep vanwege hun terugkeer, kreeg de zendingscommissie drie opties aangeboden van de GZB. Een daarvan was Willem Jan de Wit in Caïro. Die kenden ze al van de berichten op Facebook en dat maakte dat de leden van de zendingscommissie tegelijk enthousiast werden om hem te ondersteunen. Voor de gemeente was het ook makkelijker om de stap te maken want hij was ook bij hen bekend. De bekendheid groeide door zijn bezoek eind augustus aan de gemeente. Dat is van grote invloed voor het enthousiasmeren van de gemeente. Maar indirecte aanwezigheid werkt ook door. Dit mocht ik ervaren toen eind november twee Egyptische predikanten op bezoek waren. Collega’s die ik heb leren kennen toen zij nog studeerden bij Willem Jan de Wit en zo hebben we ze ook aangekondigd. Zo kwam Willem Jan de Wit ook in beeld.

Van het bezoek heeft heel de gemeente niet veel meegekregen. Ze hoorden dat ze zondags in de kerk waren. Mogelijk hebben ze hen gezien bij de verkoopdag van de vrouwenvereniging die de zaterdag ervoor plaatsvond. Toch hebben ze indirect veel meegekregen. Want Via Facebook en Instagram heb ik verslag gedaan van de belevenissen met hen. Het bezoek aan de Nederlandse piramides, de molens van Kinderdijk, maar ook de maaltijd bij een diaken en met diakenen en bij een lid van de zendingscommissie met anderen leden daarbij.

Zo kan de sociale media prima ingezet worden om zending onder de aandacht te brengen door verslag te doen en dit nadrukkelijk te linken aan de ondersteunde persoon. Nu heb ik het met Willem Jan de Wit wel getroffen. Want toen is onderzoek deed naar zijn naamsbekendheid in de gemeente. Reageerde hij ook met een verwijzing naar zijn blogs. Door deze links kwamen gemeenteleden op zijn website terecht, lazen ze wat meer over hem en doen dit mogelijk in het vervolg ook. Zo is Facebook een goed middel om de gemeenteleden tussen 30 en 80 jaar te bereiken met zending.

Maar natuurlijk kan ook zo nu en dan, niet elke week of twee weken, in het kerkblad of de zondagse nieuwsbrief iets over de werkzaamheden verteld worden van de zendingswerker. Hierbij kan verwezen worden naar de Facebookpagina of de website van de zendingswerker, of naar de site van de GZB. Mogelijk kan zo’n artikel gepaard gaan met de voorbede in de kerkdienst, maar ook met de oproep om thuis in de voorbede de zendingswerker voor Gods troon te brengen en een zegen te vragen over het zendingswerk. Zo komt er door het gebed in het hart van de gemeente en de gemeenteleden plaats voor zending en ontstaat enthousiasme.

 

Dan is er de hoop en het gebed dat de gemeente enthousiast wordt en overtuigd raakt van de noodzaak van zending. Tenminste, ze raakt bekend met iemand die namens de GZB uitgezonden is om zendingswerk te bedrijven. Want wat de vraag betreft hoe zending in de gemeente de aandacht krijgt die ze verdient, hebben we vooral gefocust op het onder de aandacht brengen en niet op zending. Overtuigd raken van de noodzaak van zending is misschien wel een ander verhaal.

Wat is daarvoor nodig? Noodzakelijk is het besef dat het Evangelie van Jezus Christus aan alle creatuur verkondigd moet worden, omdat alleen door de Heere Jezus er eeuwige verlossing te verkrijgen is. Het is het besef dat het geloof in de eigen verlossing en de liefde van en voor de Heere Jezus niet slechts bestemd is voor het eigen privé-archief, maar dat het gedeeld moet worden zodat steeds meer mensen over het rond der wereld het Evangelie liken en in het netwerk komen van Jezus Christus.

 

Dus ja, we proberen te verwezenlijken dat zending in de gemeente de aandacht krijgt die ze verdient. Daarvoor is een fundament nodig. Hiervoor heb ik eerder de vraag gesteld op welke manier er een fundament voor het belang van het zendingswerk gelegd kan worden of hoe dit omhoog gekrikt kan worden. Het antwoord is niet door aandacht te genereren. Het fundament  is Jezus Christus. Zowel zending, als het onder de aandacht brengen van zending begint bij Hem, die mensen uitzendt in Zijn wijngaard.

Deze noodzaak van zending en van het ondersteunen van broeders en zusters elders heb ik ervaren door het bezoek aan Egypte en door het bezoek van de twee Egyptische collega’s aan Nederland. In Egypte heb ik ook ervaren hoe dicht er geleefd wordt bij de Heere Jezus en hoe de kerk leeft in hoopvolle verwachting.

Tijdens mijn tijd in Egypte mocht ik een bijdrage leveren aan een college missiologie aan het Evangelical Theological Seminary Cairo, het ETSC. De vraag die ik mocht beantwoorden was wat mijn indruk was van de kerk in Egypte. Ik heb toen gezegd: “The church in Egypt is a dreamful church with a heart full of hope”. De kerk in Egypte is een kerk vol dromen en met een hart vol van hoop. Zo was en is mijn beleving.

 

Ik ontmoette in een achterstandswijk van Caïro pastor John. Zij gemeente was officieel nog geen gemeente, maar hoopte dit wel te worden. Het is aan de staat om officieel tot kerk te verklaren. Ze hadden met kerst al bekers laten maken met daarop de tekst dat ze kerk zijn. Maar ze liepen veel verder vooruit. Hun droom was om discipelen te maken en vervolgens elders een nieuwe gemeente te beginnen om ook elders in de miljoenenstad Caïro mensen te winnen voor Jezus.

Dit soort verhalen en deze ontmoetingen zorgen ervoor dat een christelijk hart sneller gaat kloppen voor zending. Het laat zien hoe hard andere christenen ons gebed en onze steun nodig hebben. Het maakt bewust dat geloven geen privézaak is. Als christenen zijn we wereldwijd aan elkaar verbonden en hebben we de opdracht om Christus te prediken aan alle creaturen. Zo krijgt zending in de gemeente de aandacht die het verdient.

Ik dank u.

 

 

Hoe krijgt zending binnen de gemeente de aandacht de het verdient?

  1. Stel duidelijke doelen over de gewenste aandacht voor zending. In welke mate moeten gemeenteleden betrokken zijn?
  2. Zie andere zendingsdoelen niet als bedreiging, maar als stimulans om aandacht voor zending in de gemeente te creëren.
  3. Onderzoek op welke platforms gemeenteleden en de zendingswerker te bereiken zijn
  4. Maak gebruik van het materiaal dat er is (van de GZB en van de zendingswerker)
  5. Wees bewust en draag uit dat zending logischerwijs volgt uit het geloof in Jezus